AARDRIJKSKUNDE
Parragraaf 3.5: Landschapszones 2
Subtropische zone: is de benaming voor het gebied dat een middellandse zeeklimaat heeft of
een klimaat dat daarop lijkt.
Gematigde zone: Gebied gelegen tussen de tropen en de polen. Het is hier niet bijzonder
warm of koud, droog of nat.
Boreale zone: Lijkt op een gematigde zone, maar het is kouder vooral in de winter. Je vind de
boreale zone vooral in het noorden van Canada, Alaska, Siberië en Scandinavië.
Polaire zone: Het is er erg koud, dit gebied vind je vooral bij de noordpool
Parragraaf 3.6 Mens en Landschap 1
Een landschap bestaat uit verschillende onderdelen die elkaar beïnvloeden daarom noemen we het
een systeem. En omdat een landschap voortdurend in verandering is spreken we over dynamiek.
Geofactoren zijn factoren om te laten zien welke factoren landschap bepalen. Geofactoren zijn
onder andere:
1. Klimaat: Regen, milde winters en koele zomers zorgen voor een groen landschap.
2. Gesteente: De zandige ondergrond biedt kansen voor gras en daarmee runderen
(dierenwereld). Omdat het zand makkelijk verstuift, is de bodem matig ontwikkeld.
3. Reliëf: Het reliëf geeft vorm aan de loop van het water, maar ook omgekeerd: het water slijt
door erosie af (eroderen) en vormt het reliëf.
Door de verbranding van de fossiele brandstoffen worden koolstofdioxide uitgestoten. In de lucht
zorgt dit ervoor dat warmte beter wordt vastgehouden, dit noem je het versterkt broeikaseffect.
Het klimaat wordt er warmer door. Deze opwarming leidt tot het smelten van ijs en daarmee
zeespiegelstijging. Ook zorgt de opwarming voor meer onrust in de atmosfeer, waardoor extremer
weer vaker optreedt.
Zo is een landschap dat regelmatig overstroomt veel minder geschikt voor de landbouw. De mens zal
het gebied minder gaan beschermen tegen verdere nieuwe overstromingen, omdat het weinig
financiële waarde heeft. In de tropische, aride en subtropische zones leidt de opwarming meestal
tot meer droogte (water). De mogelijkheden voor landbouw en natuur (mens, plant & dier) nemen
daardoor af.
In de polaire en boreale zones zien we het smelten van landijs, zee-ijs en grondijs (water). Door het
smelten van grondijs verzakt de bodem, waardoor infrastructuur (mens) beschadigd raakt. In de
noordelijke IJszee wordt het voor ijsberen (dieren) moeilijker om te overleven. In Noord-Canada en
Siberië verandert de vegetatie (plant) geleidelijk. Grenzen schuiven vaak een beetje op richting de
polen. Hier en daar zal de aride zone zich uitbreiden, mogelijk ook richting de evenaar.
Parragraaf 3.5: Landschapszones 2
Subtropische zone: is de benaming voor het gebied dat een middellandse zeeklimaat heeft of
een klimaat dat daarop lijkt.
Gematigde zone: Gebied gelegen tussen de tropen en de polen. Het is hier niet bijzonder
warm of koud, droog of nat.
Boreale zone: Lijkt op een gematigde zone, maar het is kouder vooral in de winter. Je vind de
boreale zone vooral in het noorden van Canada, Alaska, Siberië en Scandinavië.
Polaire zone: Het is er erg koud, dit gebied vind je vooral bij de noordpool
Parragraaf 3.6 Mens en Landschap 1
Een landschap bestaat uit verschillende onderdelen die elkaar beïnvloeden daarom noemen we het
een systeem. En omdat een landschap voortdurend in verandering is spreken we over dynamiek.
Geofactoren zijn factoren om te laten zien welke factoren landschap bepalen. Geofactoren zijn
onder andere:
1. Klimaat: Regen, milde winters en koele zomers zorgen voor een groen landschap.
2. Gesteente: De zandige ondergrond biedt kansen voor gras en daarmee runderen
(dierenwereld). Omdat het zand makkelijk verstuift, is de bodem matig ontwikkeld.
3. Reliëf: Het reliëf geeft vorm aan de loop van het water, maar ook omgekeerd: het water slijt
door erosie af (eroderen) en vormt het reliëf.
Door de verbranding van de fossiele brandstoffen worden koolstofdioxide uitgestoten. In de lucht
zorgt dit ervoor dat warmte beter wordt vastgehouden, dit noem je het versterkt broeikaseffect.
Het klimaat wordt er warmer door. Deze opwarming leidt tot het smelten van ijs en daarmee
zeespiegelstijging. Ook zorgt de opwarming voor meer onrust in de atmosfeer, waardoor extremer
weer vaker optreedt.
Zo is een landschap dat regelmatig overstroomt veel minder geschikt voor de landbouw. De mens zal
het gebied minder gaan beschermen tegen verdere nieuwe overstromingen, omdat het weinig
financiële waarde heeft. In de tropische, aride en subtropische zones leidt de opwarming meestal
tot meer droogte (water). De mogelijkheden voor landbouw en natuur (mens, plant & dier) nemen
daardoor af.
In de polaire en boreale zones zien we het smelten van landijs, zee-ijs en grondijs (water). Door het
smelten van grondijs verzakt de bodem, waardoor infrastructuur (mens) beschadigd raakt. In de
noordelijke IJszee wordt het voor ijsberen (dieren) moeilijker om te overleven. In Noord-Canada en
Siberië verandert de vegetatie (plant) geleidelijk. Grenzen schuiven vaak een beetje op richting de
polen. Hier en daar zal de aride zone zich uitbreiden, mogelijk ook richting de evenaar.