Inleiding privaatrecht
Uitwerkingen verplichte arresten
Blaauboer/Berlips
Ontstaan van het onderscheid tussen goederenrecht en verbintenissenrecht.
Het standpunt van de Hoge Raad was dat de verplichting zodanig verbonden is aan de grond, dat deze verplichting mee
overgaat naar de nieuwe eigenaar. Hier kwam vooral vanuit de literatuur veel kritiek op. In 1905 kwam er een nieuw
standpunt van de Hoge Raad, de Hoge Raad ging ‘om’:
Rechtsvraag: gaat de verplichting tot het aanleggen van de weg mee op de nieuwe eigenaar over, zodat de broeders Berlips
verlost zijn van deze verplichting?
De Hoge Raad concludeerde dat een verbintenis geen goederenrechtelijke werkingen heeft, in die zin dat bij de
vervreemding het goed niet anders dan met diezelfde beperking of voorwaarde op den nieuwe eigenaar kon overgaan.
De verbintenis gaat dus niet automatisch mee over.
De Hoge Raad heeft hier een aantal argumenten voor:
1) De in onze burgerlijke wetgeving bestaande scherpe onderscheiding tussen zakenrecht en verbintenissen recht
wordt daarmee uitgewist.
2) Het is in strijd met het stelsel van erfdienstbaarheden, dat immers slechts binnen bepaalde grenzen verplichtingen
voor het dienende er toelaat. Namelijk in beginsel alleen dulden niet niet-doen.
3) Het is in strijd met het beginsel van openbaarheid en dus rechtszekerheid. Erfdienstbaarheid die is ingeschreven in
de openbare registers.
Bij verbintenissen die betrekking hebben op een goed gaat wel de actieve zijde (het vorderingsrecht) maar niet de passieve
zijde (schuld) over op degene die dat goed onder bijzondere titel verkrijgt.
Persoonlijke verbintenissen kunnen het eigendomsrecht niet beperken, zodat zij evenmin bij overgang van dat
eigendomsrecht op de nieuwe eigenaar van rechtswege overgaan.
Hofland/Hennis
Art. 6:217 lid 1 BW
Een advertentie, waarin een individueel bepaalde zaak voor een bepaalde prijs te koop wordt aangeboden, zich in beginsel
er niet toe leent door eventuele gegadigden anders te worden opgevat dan als een uitnodiging om in onderhandeling te
treden, waarbij niet alleen de prijs en de eventuele verdere voorwaarden van de koop, maar ook van de persoon van de
gegadigde van belang kunnen zijn. Een huis is bijvoorbeeld een individueel bepaalde zaak, ook al gaat het om een
rijtjeshuis, omdat ieder huis een eigen plek heeft. Individueel bepaalde zaken kunnen ook roerende goederen zijn.
Er mag géén sprake zijn van een genuszaak (nieuwe zaak); een genuszaak is in beginsel nooit een individueel bepaalde
zaak.
Advertenties waarin een individueel bepaalde zaak voor een bepaalde prijs te koop wordt aangeboden is een uitnodiging tot
het doen van een aanbod. Advertenties waarin soortzaken worden aangeboden, zoals een kilo tomaten of een pak melk,
gelden wel als aanbod in de zin van 6:217 BW.
Eelman/Hin
Art. 3:34 + 3:35
Twee belangrijke beslissingen van de Hoge Raad:
1) Een rechtshandeling van een onbekwame is altijd vernietigbaar, ongeacht of de wederpartij hiervan op de hoogte
was.
2) Het ontbreken van de wil bij een van de partijen kan ontkracht worden door het gerechtvaardigd vertrouwen.
Rechtshandelingen van handelingsonbekwamen zijn altijd vernietigbaar. Bij rechtshandelingen van feitelijk onbekwamen
moet er worden gekeken of de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwt op de bekwaamheid van de feitelijk onbekwame.
Indien dit het geval is, is de overeenkomst geldig
Portacabin
Art. 3:3 BW
Als iets gebruikt wordt met het doel om voor langere tijd gebruikt te worden als een onroerend goed, het ook daadwerkelijk
aangemerkt dient te worden als onroerend goed. Omdat er gas, water en licht aangesloten is, en de tuin rondom het chalet
is ingericht, mag er aangenomen worden dat de chalet voor langere tijd gebruikt gaat worden met het doel als onroerend
goed te dienen.
Uitwerkingen verplichte arresten
Blaauboer/Berlips
Ontstaan van het onderscheid tussen goederenrecht en verbintenissenrecht.
Het standpunt van de Hoge Raad was dat de verplichting zodanig verbonden is aan de grond, dat deze verplichting mee
overgaat naar de nieuwe eigenaar. Hier kwam vooral vanuit de literatuur veel kritiek op. In 1905 kwam er een nieuw
standpunt van de Hoge Raad, de Hoge Raad ging ‘om’:
Rechtsvraag: gaat de verplichting tot het aanleggen van de weg mee op de nieuwe eigenaar over, zodat de broeders Berlips
verlost zijn van deze verplichting?
De Hoge Raad concludeerde dat een verbintenis geen goederenrechtelijke werkingen heeft, in die zin dat bij de
vervreemding het goed niet anders dan met diezelfde beperking of voorwaarde op den nieuwe eigenaar kon overgaan.
De verbintenis gaat dus niet automatisch mee over.
De Hoge Raad heeft hier een aantal argumenten voor:
1) De in onze burgerlijke wetgeving bestaande scherpe onderscheiding tussen zakenrecht en verbintenissen recht
wordt daarmee uitgewist.
2) Het is in strijd met het stelsel van erfdienstbaarheden, dat immers slechts binnen bepaalde grenzen verplichtingen
voor het dienende er toelaat. Namelijk in beginsel alleen dulden niet niet-doen.
3) Het is in strijd met het beginsel van openbaarheid en dus rechtszekerheid. Erfdienstbaarheid die is ingeschreven in
de openbare registers.
Bij verbintenissen die betrekking hebben op een goed gaat wel de actieve zijde (het vorderingsrecht) maar niet de passieve
zijde (schuld) over op degene die dat goed onder bijzondere titel verkrijgt.
Persoonlijke verbintenissen kunnen het eigendomsrecht niet beperken, zodat zij evenmin bij overgang van dat
eigendomsrecht op de nieuwe eigenaar van rechtswege overgaan.
Hofland/Hennis
Art. 6:217 lid 1 BW
Een advertentie, waarin een individueel bepaalde zaak voor een bepaalde prijs te koop wordt aangeboden, zich in beginsel
er niet toe leent door eventuele gegadigden anders te worden opgevat dan als een uitnodiging om in onderhandeling te
treden, waarbij niet alleen de prijs en de eventuele verdere voorwaarden van de koop, maar ook van de persoon van de
gegadigde van belang kunnen zijn. Een huis is bijvoorbeeld een individueel bepaalde zaak, ook al gaat het om een
rijtjeshuis, omdat ieder huis een eigen plek heeft. Individueel bepaalde zaken kunnen ook roerende goederen zijn.
Er mag géén sprake zijn van een genuszaak (nieuwe zaak); een genuszaak is in beginsel nooit een individueel bepaalde
zaak.
Advertenties waarin een individueel bepaalde zaak voor een bepaalde prijs te koop wordt aangeboden is een uitnodiging tot
het doen van een aanbod. Advertenties waarin soortzaken worden aangeboden, zoals een kilo tomaten of een pak melk,
gelden wel als aanbod in de zin van 6:217 BW.
Eelman/Hin
Art. 3:34 + 3:35
Twee belangrijke beslissingen van de Hoge Raad:
1) Een rechtshandeling van een onbekwame is altijd vernietigbaar, ongeacht of de wederpartij hiervan op de hoogte
was.
2) Het ontbreken van de wil bij een van de partijen kan ontkracht worden door het gerechtvaardigd vertrouwen.
Rechtshandelingen van handelingsonbekwamen zijn altijd vernietigbaar. Bij rechtshandelingen van feitelijk onbekwamen
moet er worden gekeken of de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwt op de bekwaamheid van de feitelijk onbekwame.
Indien dit het geval is, is de overeenkomst geldig
Portacabin
Art. 3:3 BW
Als iets gebruikt wordt met het doel om voor langere tijd gebruikt te worden als een onroerend goed, het ook daadwerkelijk
aangemerkt dient te worden als onroerend goed. Omdat er gas, water en licht aangesloten is, en de tuin rondom het chalet
is ingericht, mag er aangenomen worden dat de chalet voor langere tijd gebruikt gaat worden met het doel als onroerend
goed te dienen.