Farmacologie
Waarom slikken we medicijnen:
Voorkomen: vaccinatie
Genezen: insuline
Verzachten: paracetamol
Ziekte op te sporen
Gebrek aan te vullen
Farmacon: een stof die helpt ziekten te voorkomen, op te sporten, te genezen, te verzachten of gebrek
aan te vullen. Denk hierbij voorbeeld aan vaccins, antibiotica, pijnstillers (analgetica) en bloedproducten.
Twee bijwerkingen die over het algemeen bijna op alle geneesmiddelen van toepassingen is:
Maag-/darmzweren
- Misselijkheid, anorexie (geen eetlust) en diarree
Omdat er een hoge concentratie van een stof in het spijsverteringsstelsel komt
Overgevoeligheidsreacties
- Meestal door vorming van immunoglobulinen E tegen het geneesmiddel
- 1e keer meestal lokaal
- 2e keer ook algemene reactie zoals anafylactische shock
Beschrijf hoe de opname, de verdeling, het metabolisme en de uitscheiding van geneesmiddelen in het
lichaam werkt:
Resorptie (opname): biologische beschikbaarheid
Biologische beschikbaarheid: de hoeveelheid farmacon, die uiteindelijk in het bloedplasma komt
De resorptiesnelheid (tijd die nodig is om het bloedplasma te bereiken) is afhankelijk van de
toedieningsvorm:
Intraveneuze injectie
Inhalatie
Intramusculair
Subcutaan
Orale
Rectale
Distributie (verdeling): inwater, vet of aan bloedeiwitten gebonden
Metabolisme (omzetting): gewoonlijk door de lever.
Bij levermetabolisering kunnen werkzame en onwerkzame metabolieten (stofwisselingsproducten)
gevormd worden. Meestal wordt een werkzaam geneesmiddel door leverenzymen omgezet in niet
werkende en/of wateroplosbare metabolieten, die daarna door de nieren worden uitgefilterd. De snelheid
van de metabolisering is afhankelijk van de plasmaconcentratie.
Excretie (uitscheiding): gewoonlijk door de nieren.
De snelheid is afhankelijk van de hoeveelheid opgeloste geneesmiddel en de nierfucntie.
Leg uit wat bedoeld wordt met de volgende begrippen uit de farmacokinetiek en farmacodynamiek:
Farmacokinetiek: de wegen van geneesmiddel in het lichaam (wat doet het lichaam met het
geneesmiddel)
Farmacodynamiek: wat doet het geneesmiddel met het lichaam
Receptor: een eiwit dat meestal in een celmembraan zit. De vorming van een farmaconreceptorcomplex
kun je je voorstellen als een sleutel in een slot, waarbij het geneesmiddel de sleutel in de sleutel en de
receptor het slot is.
Eliminatie: verwijdering/uitschakeling
1