DOKTERSASSISTENT
Zenuwstelsel, hart & bloedvaten, psychiatrie & verslaving, ouderenzorg
Meerkeuzevragen + antwoorden ter voorbereiding op de toets.
, 1. Wat is de functie van het uitwendige oor?
A: Vangt geluiden op.
B: Geleidt het geluid naar het inwendige oor.
C: Vangt mechanische prikkels op.
2. Waar in het oor zit het evenwichtsorgaan?
A. In het uitwendige oor.
B. In het slakkenhuis.
C. In het inwendige oor.
3. Uit welke drie lagen bestaat de wand van het oog?
A. Glaucoom, hoornvlies, vaatvlies.
B. Harde oogvlies, vaatvlies, netvlies.
C. Netvlies, glasachtig lichaam, harde oogvlies.
4. Wat is accommoderen?
A. Scherp zien door het boller en platter worden van de iris.
B. Scherp zien door het boller en platter worden van de lens.
C. Scherp zien door het boller en platter worden van de regenboogvlies.
5. Bekijk het plaatje, wat is het gele balkje?
A. Axon.
B. Dendrieten.
C. Myelineschede.
6. Bekijk het plaatje, wat is de lange uitloper?
A. Axon.
B. Dendrieten.
C. Myelineschede.
7. Van waaruit wordt de regeling van bloeddruk en ademhaling geregeld?
A. Hersenstam.
B. Grote hersenen.
C. Kleine hersenen.
8. Waardoor wordt de doorbloeding van de spijsverteringsorganen geregeld?
A. Alleen door het autonome zenuwstelsel.
B. Alleen door het animale zenuwstelsel.
C. Zowel door het animale als door het autonome zenuwstelsel.