Organismen zijn georganiseerd in biologische eenheden, van klein naar groot en van
eenvoudig naar complex:
1. Atoom
2. Molecuul: bestaat uit minimaal 2 atomen
3. Celorganel: functionele onderdelen van een cel
4. Cel: kleinst mogelijke vorm van leven (groep organellen + cytoplasma)
5. Weefsel: groepje cellen met dezelfde functie (alleen in meercellige organismen),
eencellige organismen hebben dus GEEN weefsels en GEEN organen. (spierweefsel)
6. Orgaan: verschillende typen weefsel die samen een bepaalde functie uitvoeren
7. Organenstelsel: groep van samenwerkende organen die een gezamenlijke functie
hebben
8. Organisme: individuele levende wezens
9. Populatie: groep individuen van dezelfde soort die in een bepaald gebied leeft en zich
onderling voortplant
10. Levensgemeenschap: alle organismen (van alle soorten) in één gebied, dus alle
populaties die samen leven
11. Ecosysteem: begrensd gebied waarbinnen de biotische en abiotische factoren een
eenheid vormen
12. Biosfeer: alle ecosystemen op aarde
Emergente eigenschappen een nieuwe eigenschap die op een hoger organisatieniveau
ontstaat
Interactie = op elkaar reageren