Samenvatting H1 – Hoofdlijnen Nederlands Recht
Gedragsregels: normen, waarden en regels waarvan de samenleving vindt dat
eenieder zich daaraan hoort te houden. Deze vinden wij zo belangrijk dat we ze
schriftelijk hebben vastgelegd met een straf als deze worden overtreden. Deze regels
zijn naast ethische normen ook rechtsnormen.
Ethische normen: Normen en waarden zijn de omgangsvormen oftewel hoe
anderen verwachten dat je sociaal handelt. Het geheel van deze normen en waarden
noemt met het moraal. Ethiek is het nadenken over en analyseren van die moraal.
De ethiek kun je ook wel morele filosofie noemen.
Rechtsnormen: Een rechtsnorm is in het recht een bepaling met bindende werking.
Heeft een rechtsnorm algemene werking dan wordt zij ook wel rechtsregel genoemd.
Daarom worden de termen rechtsregel en rechtsnorm dikwijls door elkaar gebruikt.
Welke vier functies heeft het recht?
Normatieve functie
Geschiloplossende functie
Additionele functie (aanvullend recht)
Instrumentele functie (dwingend)
Normatieve functie van het recht: Ervoor zorgen dat men zich aan de waarden en
normen van de maatschappij houdt. Moraalnormen die in de wet worden opgenomen
zijn rechtsnormen. Als deze rechtsnormen worden overtreden volgt er een straf.
Fundamentele groepsnorm: een groot belang met betrekking tot een verwachting
van gedragsregels binnen een bepaalde groep.
Eigenrichting: het heft in eigen handen nemen.
Eigenrichting is in onze westerse cultuur verboden wij hebben een zittende
magistratuur, of rechterlijke macht die oordeelt of iemand moet worden gestraft en zo
ja, op welke wijze en met behulp van welke procedure. Dit wordt ook wel de
geschiloplossende functie genoemd.
Additionele functie: Het is een ervaringsgegeven dat mensen bij een
rechtshandeling niet alles tot in de puntjes regelen. Er kunnen dingen zijn waar zij ten
tijde van de rechtshandeling geen rekening mee hebben gehouden. Daarom heeft de
wetgever een regeling getroffen. Artikel 7:10 lid 1 BW. De zaak is voor risico van de
koper van de aflevering af, zelfs al is de eigendom nog niet overgedragen. Blijft
koopprijs verschuldigd. Het is niet aan verkoper te verwijten).
Instrumentele functie: De wetgever bepaalt zo doen wij het en niet anders. Dit heeft
niets te maken met normen of geschillen of oplossing als je er samen niet uitkomt.
Dit is om alles gestructureerd te laten verlopen.
, Omschrijf de geschiloplossende functie van het recht: In onze maatschappij mag
je niet zelf tot straffen overgaan als je nadelig wordt behandeld. Daarvoor hebben wij
een rechtelijke organisatie (de rechterlijke macht) die bepaald of en welke straf zal
worden opgelegd. Deze rechterlijke macht oordeelt bij uitsluiting of iemand moet
worden gestraft en zo ja, op welke wijze en met behulp van welke procedure.
Strafbepaling en procedure bij uitsluiting.
Welke rechtsbronnen kent Nederland:
1. de wet
2. het verdrag
3. de jurisprudentie
4. de gewoonte
Privaatrecht: wordt ook wel het civiele recht of het burgerlijk recht genoemd. Het
privaatrecht wordt onderverdeeld in het personen- en familierecht en het
vermogensrecht.
Het personen- en familierecht regelt zaken zoals: geboorte, huwelijk, geregistreerd
partnerschap, echtscheiding, adoptie, ondercuratelestelling en de regeling van het
vermogen tussen echtgenoten. Veel van deze regels kun je terugvinden in boek 1
van het burgerlijk wetboek.
Gedragsregels: normen, waarden en regels waarvan de samenleving vindt dat
eenieder zich daaraan hoort te houden. Deze vinden wij zo belangrijk dat we ze
schriftelijk hebben vastgelegd met een straf als deze worden overtreden. Deze regels
zijn naast ethische normen ook rechtsnormen.
Ethische normen: Normen en waarden zijn de omgangsvormen oftewel hoe
anderen verwachten dat je sociaal handelt. Het geheel van deze normen en waarden
noemt met het moraal. Ethiek is het nadenken over en analyseren van die moraal.
De ethiek kun je ook wel morele filosofie noemen.
Rechtsnormen: Een rechtsnorm is in het recht een bepaling met bindende werking.
Heeft een rechtsnorm algemene werking dan wordt zij ook wel rechtsregel genoemd.
Daarom worden de termen rechtsregel en rechtsnorm dikwijls door elkaar gebruikt.
Welke vier functies heeft het recht?
Normatieve functie
Geschiloplossende functie
Additionele functie (aanvullend recht)
Instrumentele functie (dwingend)
Normatieve functie van het recht: Ervoor zorgen dat men zich aan de waarden en
normen van de maatschappij houdt. Moraalnormen die in de wet worden opgenomen
zijn rechtsnormen. Als deze rechtsnormen worden overtreden volgt er een straf.
Fundamentele groepsnorm: een groot belang met betrekking tot een verwachting
van gedragsregels binnen een bepaalde groep.
Eigenrichting: het heft in eigen handen nemen.
Eigenrichting is in onze westerse cultuur verboden wij hebben een zittende
magistratuur, of rechterlijke macht die oordeelt of iemand moet worden gestraft en zo
ja, op welke wijze en met behulp van welke procedure. Dit wordt ook wel de
geschiloplossende functie genoemd.
Additionele functie: Het is een ervaringsgegeven dat mensen bij een
rechtshandeling niet alles tot in de puntjes regelen. Er kunnen dingen zijn waar zij ten
tijde van de rechtshandeling geen rekening mee hebben gehouden. Daarom heeft de
wetgever een regeling getroffen. Artikel 7:10 lid 1 BW. De zaak is voor risico van de
koper van de aflevering af, zelfs al is de eigendom nog niet overgedragen. Blijft
koopprijs verschuldigd. Het is niet aan verkoper te verwijten).
Instrumentele functie: De wetgever bepaalt zo doen wij het en niet anders. Dit heeft
niets te maken met normen of geschillen of oplossing als je er samen niet uitkomt.
Dit is om alles gestructureerd te laten verlopen.
, Omschrijf de geschiloplossende functie van het recht: In onze maatschappij mag
je niet zelf tot straffen overgaan als je nadelig wordt behandeld. Daarvoor hebben wij
een rechtelijke organisatie (de rechterlijke macht) die bepaald of en welke straf zal
worden opgelegd. Deze rechterlijke macht oordeelt bij uitsluiting of iemand moet
worden gestraft en zo ja, op welke wijze en met behulp van welke procedure.
Strafbepaling en procedure bij uitsluiting.
Welke rechtsbronnen kent Nederland:
1. de wet
2. het verdrag
3. de jurisprudentie
4. de gewoonte
Privaatrecht: wordt ook wel het civiele recht of het burgerlijk recht genoemd. Het
privaatrecht wordt onderverdeeld in het personen- en familierecht en het
vermogensrecht.
Het personen- en familierecht regelt zaken zoals: geboorte, huwelijk, geregistreerd
partnerschap, echtscheiding, adoptie, ondercuratelestelling en de regeling van het
vermogen tussen echtgenoten. Veel van deze regels kun je terugvinden in boek 1
van het burgerlijk wetboek.