ABCD-vragen:
1. Titel, plaatje, intro --------- grote lijn bepalen
2. Lees de vraag. In de vraag staat over welk stuk tekst het gaat. Dit stuk tekst onderstreep je in
de tekst.
- Als de vraag over meerdere alinea’s gaat > moet het antwoord over alle alinea’s gaan en
niet over 1 alinea. Het antwoord moet het hele stuk tekst afdekken.
- Als de vraag over 1 zin gaat > dan gaat het over een ingewikkelde/moeilijke zin.
Wat doe je dan? Dan maak je uit de context (rest van de alinea) op of je begrijpt wat er
in die zin zou kunnen staan. Betekenis afleiden.
Wat doe je dan NIET? Je gaat NIET die ene zin vertalen. Je gaat terug naar de grote lijn!
Wat willen ze weten? Wat voor soort vraag is het? Wat heb ik geleerd over deze vraag?
Wat moet ik doen?
De eerste vraag is altijd een vraag naar de grote lijn! Dus: titel, intro en plaatje.
Lees de tekst en highlight op signaalwoorden en : Een dubbele punt wordt gebruikt als
er een belangrijke mededeling gedaan wordt.
Achter dubbele punt en signaalwoorden staan de antwoorden op de vraag!
3. Pindakaasantwoorden wegstrepen. Er zijn altijd twee antwoorden die na het volgen van de
eerste twee stappen weggestreept kunnen worden.
Dan staat er nog een antwoord dat op het juiste antwoord lijkt, maar bijvoorbeeld versterkt
of afgezwakt wordt.
LET OP!!! woorden als altijd, nooit, alles, alleen maar, meer, meest worden vaak
toegevoegd om een antwoord fout te maken.
4. Hoe vaak komt het antwoord voor? 1x is niet genoeg. Het zal vaker in de tekst
gezegd/genoemd worden. Meer voorbeelden of synoniemen.
Wat is de kern van de alinea? Wat is de functie van de alinea? > dit zijn Grote Lijn-vragen.
Er zijn ook meer gedetailleerde vragen. Bijvoorbeeld stellingvragen. Wat is waar volgens
deze alinea? Deze vragen differentiëren voor een 8 of hoger. Kloppen alle elementen van het
antwoord?
Past het antwoord in de grote lijn? Meerkeuze om je op een dwaalspoor te brengen ( tekst
over de problemen van de stad Parijs)
1. Titel, plaatje, intro --------- grote lijn bepalen
2. Lees de vraag. In de vraag staat over welk stuk tekst het gaat. Dit stuk tekst onderstreep je in
de tekst.
- Als de vraag over meerdere alinea’s gaat > moet het antwoord over alle alinea’s gaan en
niet over 1 alinea. Het antwoord moet het hele stuk tekst afdekken.
- Als de vraag over 1 zin gaat > dan gaat het over een ingewikkelde/moeilijke zin.
Wat doe je dan? Dan maak je uit de context (rest van de alinea) op of je begrijpt wat er
in die zin zou kunnen staan. Betekenis afleiden.
Wat doe je dan NIET? Je gaat NIET die ene zin vertalen. Je gaat terug naar de grote lijn!
Wat willen ze weten? Wat voor soort vraag is het? Wat heb ik geleerd over deze vraag?
Wat moet ik doen?
De eerste vraag is altijd een vraag naar de grote lijn! Dus: titel, intro en plaatje.
Lees de tekst en highlight op signaalwoorden en : Een dubbele punt wordt gebruikt als
er een belangrijke mededeling gedaan wordt.
Achter dubbele punt en signaalwoorden staan de antwoorden op de vraag!
3. Pindakaasantwoorden wegstrepen. Er zijn altijd twee antwoorden die na het volgen van de
eerste twee stappen weggestreept kunnen worden.
Dan staat er nog een antwoord dat op het juiste antwoord lijkt, maar bijvoorbeeld versterkt
of afgezwakt wordt.
LET OP!!! woorden als altijd, nooit, alles, alleen maar, meer, meest worden vaak
toegevoegd om een antwoord fout te maken.
4. Hoe vaak komt het antwoord voor? 1x is niet genoeg. Het zal vaker in de tekst
gezegd/genoemd worden. Meer voorbeelden of synoniemen.
Wat is de kern van de alinea? Wat is de functie van de alinea? > dit zijn Grote Lijn-vragen.
Er zijn ook meer gedetailleerde vragen. Bijvoorbeeld stellingvragen. Wat is waar volgens
deze alinea? Deze vragen differentiëren voor een 8 of hoger. Kloppen alle elementen van het
antwoord?
Past het antwoord in de grote lijn? Meerkeuze om je op een dwaalspoor te brengen ( tekst
over de problemen van de stad Parijs)