Personages: De belangrijkste personages zijn:
- Gerrit zwarte: De vader van het gezin die zoop en niet werkte. En wordt
afgeschilderd als de gevoelloze bullebak.
- Moederzwarte: Geeft de kinderen geen aandacht, maar heeft enigszins medelijden
met hen.
- Saartje Zwarte: De oudste dochter en moet hoe ziek ze ook is gewoon naar het werk,
want anders geen geld voor het gezin.
- Sander Zwarte: Tweede zoon Sander Zwarte is een onnozel joch van tien jaar dat
vanwege zijn geringe postuur door Willem op zo’n zeven jaar wordt geschat. Wel bijt
hij letterlijk van zich af omdat hij omvalt van de slaap. Als hij ontwaakt in het bed van
Willem van Hogenstad waant hij zich in een paleis. Sander blijkt erg weinig van de
wereld te weten, omdat hij nooit enig onderwijs heeft genoten en hem nooit iets is
uitgelegd.
- Willem van Hogenstad: Baron Willem van Hogenstad is een rechtenstudent in
Leiden. Hij woont op kamers bij een echtpaar, waarvan de vrouw zorgt voor zijn natje
en droogje. Als ware edele is hij direct begaan met de arme Sander en neemt hem
mee naar huis. In een later visioen lijkt Willem de opvoeder en weldoener van Sander
te zijn geworden.
Tijd: De vertelde tijd is ongeveer 24 uur. Het boek komt uit de 19e eeuw en veel aspecten uit
het boek slaan ook terug op deze tijd.
Perspectief: De auteur is de verteller en daardoor krijg je een auctoriaal perspectief.
Titel en motto: Het boek gaat over Fabriekskinderen en vandaar de titel, het verwijst dus
naar de hoofdpersonen. De ondertitel van het boek is: “een bede, doch niet om geld” om zo
bij het publiek weg te nemen dat het de schrijver alleen maar draaide om het geld.
Genre: Het boek is een historische, sociale, fictieve roman: omdat het boek gaat over een
sociale kwestie uit de Nederlandse historie.
Opbouw: Het verhaal bestaat uit acht hoofdstukken van sterk uiteenlopende lengte. Cremer
bouwt zijn verhaal stapsgewijs op. Hij maakt de lezer eerst nieuwsgierig, om die vervolgens
mee te nemen langs diverse taferelen waar de ellende zich afspeelt. Daarbij weet hij goed te
onderscheiden wat de lezer liever wel en niet leest. Mede daarom doseert hij de ellende en
spreidt die over verschillende taferelen uit.
Het begin is een sfeerbeschrijving van de stad Leiden en de ‘ziekte’ waardoor ze is getroffen.
De eerste anderhalve zin in het eerste hoofdstuk – dat een kruising is tussen een voorwoord