Spiercontracties ..................................................................................................................... 3
Spiervezeltypen en energiesystemen ..................................................................................... 7
Groei 1 – erfelijkheid ........................................................................................................... 10
Groei 2 – intra uteriene ontwikkeling ................................................................................... 12
Groei 3 – motorische ontwikkeling kind ............................................................................... 19
Veroudering ......................................................................................................................... 27
Mobiliteit/stijfheid ............................................................................................................... 36
Zenuwstelsel I – inleiding ..................................................................................................... 45
Zenuwstelsel II – vegetatieve systeem .................................................................................. 57
Zenuwstelsel III – sensorische systeem ................................................................................ 65
Zenuwstelsel IV – motorisch systeem ................................................................................... 72
Zenuwstelsel V – houding/evenwicht ................................................................................... 82
Zenuwstelsel VI – pijn .......................................................................................................... 90
Trainen spierkracht............................................................................................................ 100
Actieve en passieve stabiliteit ............................................................................................ 109
2
,Spiercontracties
Skeletspieren
- Dwarsgestreept, willekeurig
Spiercontractie = samentrekken van spierweefsel
Contractievormen
• Concentrisch – spier wordt korter
➢ Oefeningen waarbij je het gewicht omhoog tilt/duwt
➢ Spierkracht is groter dan de weerstand
• Isometrisch – spier verandert niet van lengte terwijl deze wel
kracht levert
➢ Stilhouden van de stang halverwege de range of motion bij
bankdrukken
➢ Spierkracht is gelijk aan de weerstand
• Excentrisch – spier wordt langer terwijl deze wel kracht levert
➢ Oefeningen waarbij je het gewicht laat zakken -> afremmen
gewicht
➢ Spierkracht is kleiner dan de weerstand
• Isotoon – spiercontractie onder gelijkblijvende tonus
➢ Constante spierspanning
Bij isotonische spiercontractie is er wel degelijk sprake van beweging en verandert de lengte van de
spier wel degelijk
Bouw skeletspier
3
, Actine & Myosine zijn onderdelen van de spieren
die ervoor zorgen dat ze kunnen samentrekken
- Ze kunnen in elkaar schuiven
Midden middelste myosine = M lijn
Midden beide naastgelegen actine = Z lijnen
- Stuk tussen 2 Z lijnen = sacromeer
Aan myosine zitten ‘handjes’ die aan het actine
kunnen trekken zodat het geheel naar elkaar toe
gaat
➢ ATP nodig om ervoor te zorgen dat het handje
van de myosine wil koppelen aan het actine en wilt
buigen
➢ Ca2+ zorgt ervoor dat ook het actine wilt
koppelen
Het sacroplasmatisch reticulum (SR) wordt beschouwd als een gespecialiseerde vorm van (glad)
endoplasmatisch reticulum die aanwezig is in spiercellen.
- Een belangrijke functie van het sacroplasmatisch reticulum is het opnemen van calciumionen,
om deze snel los te laten op het moment dat de cel een actiepotentiaal genereert.
➢ Maakt samentrekking van de cel mogelijk
Het sacroplasmatisch reticulum geeft het calcium af aan de T-tubuli en die brengen het vervolgens
richting de actine. Als er zowel ATP als calcium aanwezig is, gaan de actine en myosine met elkaar
koppelen waardoor de spiervezels korter worden.
4