2.1. Verhoudingen zijn overal.
2.1.1. Evenredige verbanden.
Verhouding: Recht evenredig verband tussen twee of meer getalsmatige of meetkundige
beschrijvingen. Als het ene getal zoveel veranderd, veranderd het andere getal ook zoveel. Je kan
dingen vergelijken en kijken wat in verhouding het grootst, het goedkoopst enz. zijn.
Eenheid: hoeveelheid die je als standaard gebruikt om mee te tellen.
Naar rato: Als je bv naar de slager gaat en je wilt 500 gram gehakt en het is iets meer, maakt jou dat
vaak niet uit, want de prijs stijgt naar rato. Ook wel naar verhouding.
Grootheid: lengte, gewicht, temperatuur ed.
Verschijningsvormen van verhoudingen:
sterkte van een drank
recepten
snelheid
bevolkingsdichtheid
samengestelde grootheden
schaal
Samengestelde grootheid: km/u grootheid: lengte, maateenheid kilometer en de grootheid tijd
met maateenheid uur.
Schaal: 1: 80 iets is 80 keer zo klein
1:1 iets is op ware grote
80:1 iets is 80 keer zo groot.
Soms worden verhoudingen ook in breuken of procenten uitgedrukt.
Gestandaardiseerde verhouding: de verhouding is op 100 gesteld.
Niet-gestandaardiseerde verhoudingen: de verhouding is niet op 100 gesteld, maar het kan van alles
zijn.
Door verhoudingen kunnen dingen letterlijk en figuurlijk in verhouding te zien.
Wanverhoudingen: informatie overbrengen om de aandacht te trekken (reclame enz. )
Kwalitatieve en kwantitatieve verhoudingen.
Kwantitatieve verhoudingen: Verhoudingen die uitgedrukt worden in getallen.
Kwalitatieve verhoudingen: verhoudingen waarin geen enkel getal voorkomt. Meetkundig verband.
Een meetkundige verhouding is altijd kwalitatief. Het onderscheid tussen kwalitatieve en
kwantitatieve verhouding zegt dus iets over hoe de verhouding wordt waargenomen en tot
uitdrukking wordt gebracht.
Interne en externe verhoudingen.
Interne verhouding: als een verhouding één grootheid of eenheid betreft. Bv. 1 op de 4
pabostudenten is jongen.
Externe verhoudingen: Twee verschillende grootheden. Bv. Prijs per gewicht.
Verhoudingsdeling en verdelingsdeling.
Verhoudingsdeling: Er zijn 12 snoepjes. Hoeveel groepjes van 4 kun je maken? Het gaat om de
interne verhouding van het deel ten opzichte van het geheel.