Week 1: Inleiding strafprocesrecht (hoofdstuk 7)
Leerdoelen:
Kennis welke personen en instanties een rol spelen bij het strafproces
Kennis uit welke fasen het strafproces bestaat
Kennis op welke manier de strafrechtelijke overheidsorganen mogen optreden
Strafprocesrecht/formeel strafrecht/ strafvordering het deel van het strafrecht dat betrekking heeft op de
regels voor strafrechtelijk onderzoek.
Het verloop van een onderzoek in een concrete zaak hangt af van de feiten en omstandigheden in die zaak.
Het Wetboek van Strafvordering geeft aan wie bevoegd is bepaalde handelingen te verrichten en aan welke
voorwaarden daarbij moeten worden voldaan. Er zal via drie invalshoeken naar de beschreven strafzaak
worden gekeken:
1. Welke personen en instanties spelen een rol bij het strafproces?
2. Uit welke fasen bestaat het strafproces?
3. Op welke manier mogen de strafrechtelijke overheidsorganen optreden?
Procesdeelnemers
1. Verdachte iemand waarvan wordt vermoed dat hij/zij een strafbaar feit heeft gepleegd.
2. Raadsman een advocaat die de verdachte adviseert en met hem de verdediging voert. De
verdachte en raadsman zijn samen aangeduid als ‘de verdediging’.
3. Getuige iemand die iets heeft gezien of gehoord wanneer het strafbaar feit werd gepleegd. Een
getuigenverklaring kan worden gebruikt als bewijs.
4. Deskundige de rechter zal veel feiten niet zelf kunnen vaststellen, omdat hij de daarvoor vereiste
expertise mist. Daarom kan een deskundige worden ingeschakeld. Deskundigen die speciaal
onderzoek verrichten voor een rechter worden forensische deskundigen genoemd.
5. Benadeelde partij deze partij heeft nadeel opgelopen.De partij kan zich met een civielrechtelijke
schadeclaim voegen in het strafproces. Voor het voegen als benadeelde partij bestaan speciale
voegingsformulieren die die naar de officier van justitie moet toesturen. Deze partij kan zich trouwens
ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting voegen.
6. Slachtoffer zij hebben bepaalde rechten in het strafproces (art. 51a-51h Sv).
7. Rechtbank, gerechtshof en Hoge Raad door deze rechterlijke colleges (gerechten) kunnen
strafzaken worden berecht. Ieder van deze gerechten heeft een eigen regio waarbinnen het
rechtspreekt (rechtsgebied).
8. Opsporingsambtenaar dit is de politie. De politie heeft voor de opsporing van strafbare feiten een
groot aantal bevoegdheden gekregen, bv. aanhouden en fouilleren van verdachten. Hoewel in de
praktijk over het algemeen de politie die bevoegdheden uitoefent, spreekt de wet van
opsporingsambtenaren (art. 141 jo. 142 Sv).
9. Openbaar ministerie deze neemt de beslissing om een zaak aan de rechter voor te leggen (art. 9
Sv). Hiervoor moet het openbaar ministerie voldoende belastend materieel verzameld hebben. Het
OM heeft de verantwoordelijkheid over het opsporingsonderzoek. Ook de tenuitvoerlegging van
rechterlijke uitspraken is een taak van het OM (art. 553 Sv).
10. Reclassering houdt zich bezig met de persoon en omstandigheden van de verdachte. Zij is
betrokken bij ontwikkeling en organisatie van taakstraffen en zij kan (wanneer de rechter dat heeft
bepaald) aanwijzingen geven waaraan veroordeelden zich moeten houden die voorwaardelijk
, veroordeeld zijn. Verder geeft zij de rechter voorlichting over de persoon van de verdachte en de
sociale omgeving van de verdachte. Hiertoe kan onderzoek worden uitgevoerd.
Het rechtsgebied van een rechtbank arrondissement. De rechtbank behandeld alle zaken in de 1e aanleg. Er
bestaan 11 rechtbanken. Kent enkelvoudige en meervoudige kamers. De rechtbank kent een aantal typen
alleensprekende rechters:
Kantonrechter (art. 382 Sv) oordeelt over de meeste overtredingen.
Politierechter (art. 368 Sv) oordeelt over eenvoudige misdrijven.
Kinderrechter oordeelt over zaken met een minderjarige verdachte.
De officier van justitie besluit aan welke kamer hij de zaak zal voorleggen. Blijkt de zaak toch ingewikkelder dan
hij vermoedde, dan kan de politierechter de zaak doorverwijzen naar de meervoudige kamer (art. 369 lid 2 Sv).
Naast arrondissementen zijn er ook grotere rechtsgebieden die een aantal arrondissementen omvatten. Dit
wordt een ressort genoemd. Gerechtshoven zijn verbonden aan een ressort. Gerechtshoven behandelen alle
zaken in hoger beroep. Er zijn vier gerechtshoven. Hierbij zijn er ook meervoudige en enkelvoudige kamers.
Rechters worden hier raadsheren genoemd.
De hoogste rechterlijke instantie is de Hoge Raad. Hier bestaat er 1 van, die is gevestigd in Den Haag. Hierbij
zijn er ook meervoudige en enkelvoudige kamers. Hier worden ook rechters raadsheren genoemd, maar naast
de raadsheren werken der ook advocaten-generaal (AG’s). Zij hebben een adviserende functie: zij geven hun
visie op de zaken die aan de Hoge Raad worden voorgelegd. Deze adviezen worden ‘conclusies’ genoemd. Deze
worden samen met de arresten van de Hoge Raad gepubliceerd. Het hoofd van de advocaten-generaal wordt
procureur-generaal (PG) genoemd.
Er zijn bij de gerechten rechters actief die slechts deelnemen aan het onderzoek dat aan de zitting voorafgaat.
Zij worden rechter-commissaris of raadsheer-commissaris (RC) genoemd. Deze heeft een belangrijke rol tijdens
het opsporingsonderzoek. Hij heeft bepaalde eigen bevoegdheden die in de wet staan. Ook is hij onmisbaar bij
de uitoefening van bepaalde opsporingsbevoegdheden.
Meervoudige kamer bestaat uit 3 rechters, waarvan er 1 voorzitter is. Zij oordelen over de meer
ingewikkelde en ernstige strafzaken.
Enkelvoudige kamer bestaat uit 1 rechter. Hier worden de eenvoudigere en lichtere strafzaken behandeld.
Ieder arrondissement heeft een eigen bureau van het OM. Dit wordt parket genoemd.
Rechtbank arrondissementparket, hierbij werken officieren van justitie onder leiding van een hoofdofficier
van justitie.
Gerechtshof ressortsparket, hierbij worden zij advocaten-generaal respectievelijk hoofdadvocaat-generaal
genoemd.
Landelijk parket voor de aanpak van (internationale) georganiseerde criminaliteit.
Functioneel parket voor de opsporing en vervolging van milieudelicten, economische delicten en fraude.
De leiding van het gehele OM is in handen van het college van procureurs-generaal (art. 130 RO). Dit college
kan bv. aangeven welke strafbare feiten met prioriteit moeten worden aangepakt. Hiertoe worden richtlijnen
opgesteld. Bij bepaalde opsporingsbeslissingen is de goedkeuring van het college noodzakelijk. Het college zelf
heeft geen opsporings- of vervolgingstaak. De Minister van Veiligheid en Justitie is politiek verantwoordelijk
voor het hele OM.
, Er zijn hogere politiefunctionarissen benoemd als hulpofficier van justitie (art. 146a Sv) om in te vallen voor de
officier van justitie wanneer dit nodig is. Een aantal bevoegdheden van de OVJ, bv. het in verzekering stellen
van een verdachte, mag worden uitgeoefend door de hulp-OVJ. Andere handelingen, bv. het bevelen van een
DNA-onderzoek, zal de OVJ zelf moeten verrichten.
Verdachte (art. 27 Sv)
De belangrijkste persoon in het strafproces. Iedere verdachte is onschuldig tot het tegendeel bewezen is
onschuldpresumptie. De wet noemt twee criteria van het begrip ‘verdachte’:
1. Wanneer de vervolging eenmaal is aangevangen, wordt de persoon tegen wie die vervolging is gericht
als verdachte beschouwd. (materieel criterium)
2. Er moet sprake zijn van een redelijk vermoeden dat de persoon in kwestie een strafbaar feit heeft
gepleegd. Het redelijk vermoeden moet bestaan uit feiten of omstandigheden. (formeel criterium)
Aan het hollende kleurling en Stormsteeg arrest kan je zien wanneer een redelijk vermoeden mag zijn en
wanneer niet.
Voor fouilleren moet er sprake zijn van ‘ernstige bezwaren’ (art. 56 Sv). Hiermee wordt bedoeld dat er meer
dan een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit moet zijn.
Belangrijkste rechten van de verdachte
1. Zwijgrecht (art. 29 Sv) de verdachte mag niet worden gedwongen zichzelf te belasten in een
strafrechtelijke procedure Nemo tenetur. Er mag geen ongeoorloofde druk worden uitgeoefend
(pressieverbod). Ook is de verdachte niet verplicht om tijdens een verhoor te antwoorden op de
vragen die hem worden gesteld. Ook moet de verdachte op de hoogte worden gesteld van zijn
zwijgrecht cautie. Als je niet de cautie geeft kan tot gevolg hebben dat de verklaring die door de
verdachte is afgelegd, niet wordt gebruikt voor het bewijs (art. 359a Sv). Dat geldt alleen wanneer de
verdachte daadwerkelijk in zijn belangen is geschaad. Bij het Plastic-boodschappentasje-arrest was de
vraag aan de orde op welk moment de verdenking was ontstaan en dus de cautie had moeten worden
gegeven. De Hoge Raad oordeelde dat pas door de bekentenis van Raymond een verdenking ontstond.
Op een eerder moment hoefde er daarom nog geen cautie te worden gegeven. Dit arrest gaat over
Raymond die agenten tegenkomt na een paar vragen van hen zegt hij dat hij de boeken in het tasje
gestolen heeft.
2. Het recht op rechtsbijstand (art. 28 Sv jo. 6 lid 3 sub c EVRM) de verdachte heeft recht op bijstand
door een raadsman. De verdachte mag zelf zijn advocaat uitkiezen, maar in sommige gevallen wordt
er niet zelf gekozen (art. 38 jo. 39 Sv):
De verdachte is niet van zijn vrijheid beroofd, dus er is geen automatische toevoeging van
een raadsman, maar de verdachte kan dit wel verzoeken (art. 42 lid 3 Sv).
De verdachte wordt door de politie opgehouden voor onderzoek, de verdachte mag voor en
tijdens het verhoor overleggen met zijn of haar advocaat.
De verdachte is in verzekering gesteld, wanneer de verdachte hierop prijs stelt, krijgt de
verdachte bijstand van een advocaat, die wordt aangewezen door het bureau
rechtsbijstandvoorziening (art. 40 Sv). De advocaat wordt wel een piketadvocaat genoemd.
De staat betaalt de piketadvocaat een vergoeding.
De verdachte is in voorlopige hechtenis genomen, de toegevoegde advocaat blijft de
verdachte bijstaan totdat de zaak is geëindigd (art. 43 Sv). Tussen de verdachte en raadsman
moet ongestoord contact plaats kunnen vinden (art. 50 Sv).
3. Het recht op inzage in processtukken (art. 30 Sv) de verdachte heeft recht kennis te nemen van de
processtukken die op zijn zaak betrekking hebben. In belang van het onderzoek kan kennisneming