Samenvatting H4 – Profiel van de Nederlandse overheid
Beleid: een plan van een stelsel van voornemens of maatregelen, ontworpen om
een bepaald doel te bereiken.
Beleidsfasemodel: (1) agendering, (2) voorbereiding, (3) bepaling, (4) uitvoering en
(5) evaluatie en bijsturing.
Dit model laat niet alleen de beleidsfasen zien maar ook de relatie met de omgeving
maar ook de partijen die doelgroep zijn van het beleid (het beleidsveld).
Voordat een onderwerp beleid wordt gemaakt moet deze eerst op de agenda staan,
dat betekent dat de overheid moet beslissen of zij er aandacht aan willen besteden.
Aanhakend bij het model van Easton onderscheiden we twee soorten agenda’s: (1)
de maatschappelijke agenda en de (2) politieke agenda.
Maatschappelijke agenda: datgene waarvan groepen en organisaties in de
maatschappij willen dat erover wordt gepraat en besloten.
Politieke agenda: datgene waarover de politieke partijen en instellingen over willen
praten - er vindt een selectie plaats van de vraagstukken - over de gekozen
vraagstukken vergaderen de politieke partijen.
De maatschappelijke en politieke agenda kunnen elkaar beïnvloeden.
Onderweg kunnen zich allerlei obstakels voordoen, het gevolg van zo’n barrière is
dat niet alle input ook daadwerkelijk op de agenda terechtkomt, en als iets niet op de
agenda komt, kun je er ook niet over besluiten. Het om deze reden niet agenderen
van bepaalde onderwerpen wordt daarom ook wel ‘non decision’ genoemd.
Beleidsvorming bestaat uit beleidsvoorbereiding en beleidsbepaling.
Beleidsvoorbereiding, als eerste deelproces, is het verzamelen van gegevens en
informatie voor het maken van beleid. Vaak begint beleidsvoorbereiding met een
onderzoek of een inventarisatie. Beleidsvoorbereiding vindt ook nog weleens min of
meer ‘onbedoeld’ plaats, als uitvloeisel van iets anders.
Bij beleidsbepaling gaat het om het nemen van beslissingen over de inhoud van een
beleid, heet heeft daarmee een materieel karakter.
Dit is dus een tegenstelling met agendering omdat dit bepaald waarover wordt
gesproken en besluiten worden genomen: dit heeft dus meer een formeel karakter.
Belangrijk bij het bepalen van beleid is het vastleggen van doelstellingen.
Doelstellingen kunnen worden onderverdeeld in hoofddoelen, tussendoelen en
Beleid: een plan van een stelsel van voornemens of maatregelen, ontworpen om
een bepaald doel te bereiken.
Beleidsfasemodel: (1) agendering, (2) voorbereiding, (3) bepaling, (4) uitvoering en
(5) evaluatie en bijsturing.
Dit model laat niet alleen de beleidsfasen zien maar ook de relatie met de omgeving
maar ook de partijen die doelgroep zijn van het beleid (het beleidsveld).
Voordat een onderwerp beleid wordt gemaakt moet deze eerst op de agenda staan,
dat betekent dat de overheid moet beslissen of zij er aandacht aan willen besteden.
Aanhakend bij het model van Easton onderscheiden we twee soorten agenda’s: (1)
de maatschappelijke agenda en de (2) politieke agenda.
Maatschappelijke agenda: datgene waarvan groepen en organisaties in de
maatschappij willen dat erover wordt gepraat en besloten.
Politieke agenda: datgene waarover de politieke partijen en instellingen over willen
praten - er vindt een selectie plaats van de vraagstukken - over de gekozen
vraagstukken vergaderen de politieke partijen.
De maatschappelijke en politieke agenda kunnen elkaar beïnvloeden.
Onderweg kunnen zich allerlei obstakels voordoen, het gevolg van zo’n barrière is
dat niet alle input ook daadwerkelijk op de agenda terechtkomt, en als iets niet op de
agenda komt, kun je er ook niet over besluiten. Het om deze reden niet agenderen
van bepaalde onderwerpen wordt daarom ook wel ‘non decision’ genoemd.
Beleidsvorming bestaat uit beleidsvoorbereiding en beleidsbepaling.
Beleidsvoorbereiding, als eerste deelproces, is het verzamelen van gegevens en
informatie voor het maken van beleid. Vaak begint beleidsvoorbereiding met een
onderzoek of een inventarisatie. Beleidsvoorbereiding vindt ook nog weleens min of
meer ‘onbedoeld’ plaats, als uitvloeisel van iets anders.
Bij beleidsbepaling gaat het om het nemen van beslissingen over de inhoud van een
beleid, heet heeft daarmee een materieel karakter.
Dit is dus een tegenstelling met agendering omdat dit bepaald waarover wordt
gesproken en besluiten worden genomen: dit heeft dus meer een formeel karakter.
Belangrijk bij het bepalen van beleid is het vastleggen van doelstellingen.
Doelstellingen kunnen worden onderverdeeld in hoofddoelen, tussendoelen en