5.1
Warmte is een vorm van energie. De radiatoren in huis geven warmte af. De tempratuur geeft aan
hoe warm of koud het is. De eenheid van tempratuur is graden Celsius (c). De tempratuur meet je
met een thermometer. Als je koorts hebt meet je die met een koortsthermometer. Die meet alleen
tempraturen tussen 35 en 42 graden. Dit is het bereik van een koortsthermometer. De
nauwkeurigheid van de thermometer is het kleinste verschil dat je kunt meten. Hoe kleiner het
verschil, hoe groter de nauwkeurigheid. Bij -273 bewegen de moleculen in een stof niet meer. Dit is
het laagste tempratuur, en daarom heet dat het absolute nulpunt. Het is ook de uitgangspunt van de
tempratuur schaal kelvin (k) 0 kelvin is gelijk aan -273 graden Celsius.
Tempratuur K + tempratuur C + 273
Om 1kg water in 1c in tempratuur te laten stijgen is 4,18KJ aan warmte nodig. Dit is soortgelijke
warmte. Daarvan is de eenheid= J/KG/C
Als je warmte toevoegt aan smeltend ijs blijft de tempratuur van ijs. De warmte word gebruikt om
het ijs te laten smelten. Om 1KG ijs te laten smelten heb je 334KJ aan warmte nodig= smeltwarmte
de eenheid is J/KG.
5.2
Warmte kan zich verplaatsen. Daar zijn drie vormen van. Warmte transport: straling, stroming,
geleiding.
Straling: straling kan je alleen voelen en niet zien. De zon zend straling uit maar ook alle andere
voorwerpen. Deze straling heet invoerde straling. Je voelt straling als warmte.
De dichtheid van het warme water is kleiner dan het koude water. Het warme water stroomt
omhoog en het koude water zakt omlaag. Zo verspreid warmte zich waarbij een warme vloeistof of
gas zich verplaatst door stroming.
Het vuur verwarmt de pan. De warmte aan de onderkant van de pan verspreid zich ook naar de
buitenkant van de pan. Je kan dit verklaren met atoom-en molecuul model. Bij warm water bewegen
de moleculen snel die botsen tegen de moleculen van het koude water. Zo worden ook de moleculen
van het koude water warm. Dit noem je geleiding.