Piaget & Vygotsky: Incomplete volwassene & infancy en childhood zijn kritische perioden
Bateson & Kagan: Kind doorloopt fasen (met knuffel slapen/gekke bekken trekken) en er
zijn kritische en sensitieve perioden
- Homotypische continuïteit: Schaatsen Later schaatser worden
- Heterotypische continuiteit: Spreekbeurten leuk Later presentator
Equifinaliteit: Verschillende paden leiden tot dezelfde uitkomst
* Ontwikkeling = aanleg x omgeving x (leef)tijd(fase)
1. Freinet: Buiten leren, vanuit eigen vraag en sociale ontwikkeling
2. Jenaplan: 20 basisprincipes, gericht op helpen, van elkaar leren, normen & waarden, kunst,
gym, de maatschappij. Heterogene leeftijdsgroepen. 4 vormen: Gesprek, spel, werk en
vieringen.
3. Montessori: Gaat uit van gevoelige perioden, zelf bedenken wanneer je iets wil leren,
leraar is observator, zelfcorrigerend leren (loco). Nadeel: Oude materialen en je moet
bepaalde dingen wel kunnen op een bepaald moment.
4. Dalton: Zelf je week indelen. Gebaseerd op samenwerken, veiligheid en vrijheid.
Kernbegrippen: Zelfvertrouwen, creativiteit en verantwoordelijkheid. Wordt gewerkt met het
stoplicht (rood=zelf doen/oranje=zachtjes overleggen/groen=vragen). Ook reflectie.
5. Vrije school: Hoofd, hart en handen. Antroposofische visie: Elk kind heeft een eigen weg
en het onderwijs wordt dan ook afgestemd op het individu. Belangrijk: Beweging, creativiteit
en thema’s. Levensfasen van 7 jaar (bijvoorbeeld ‘het doen’ en ‘emotionele ontwikkeling’).
Euritmie: Leren door bewegen en kunst van de geest. Er zijn ook jaarfeesten.