cervicale radiculaire syndroom
de symptomatologie in relatie tot het niveau van de aangedane wortel
Het cervicaal radiculair syndroom (CRS), veroor- zaakt door een cervicale hernia nuclei pulposi (HNP) en/of
spondylotische degeneratie, is een veelvoorko- mend probleem. Het CRS geeft uitstralende pijn in de arm,
vaak van dusdanige aard dat normaal func- tioneren ernstig wordt belemmerd. Daarnaast kan er uitval van
sensibele en motore aard zijn. Bij het overgrote deel van de patiënten met dergelijke klach- ten vermindert het
klachtenpatroon in het eerste halfjaar na aanvang van de klachten dusdanig dat het oude leefpatroon kan
worden voortgezet.
De meest voorkomende oorzaak van het cervicaal radiculair syndroom is compressie van de spinale zenuw
door een uitpuilende tussenwervelschijf of osteofytaire randwoekeringen. Bij het overgrote deel van de
patiënten gaan de pijnklachten binnen enkele maanden spontaan over. Bij de conservatieve behandeling
staan pijnbestrijding en leefregels op de voorgrond. Er zijn aanwijzingen dat een halfharde halskraag of
fysiotherapie in de eerste weken van klach- ten kunnen leiden tot snellere pijnvermindering. Indien de klachten
te invaliderend zijn voor de patiënt of als er motorische uitval of klachten van medullaire compressie bestaan,
kan operatief ingrijpen aangewezen zijn. Voor de niveaubepaling geeft een MRI van de cervicale wervelkolom
(CWK) in combinatie met het klachtenpatroon de beste resultaten. Chirurgische decompressie kan worden
gedaan door middel van een anterieure discectomie waarbij al dan niet een wervelinterponaat wordt
achtergelaten. Bij een meer lateraal gelegen hernia nuclei pulposi (HNP) kan een posterieure benadering door
middel van een mediale facetectomie wor- den verricht ter decompressie van de aangedane spinale zenuw.
Zowel de conservatieve als de operatieve behandeling kent een zeer hoog succespercentage. Het is echter
onbekend of er predisponerende factoren zijn die het succes van een van beide behandelingen kunnen voor-
spellen of dat er een optimum voor chirurgische interventie met betrekking tot de klachten- duur bestaat.
De diagnose CRS wordt gesteld op klinische gronden, na een grondige anamnese en gericht neurologisch
onderzoek. De neuroloog kan op basis hiervan aan- geven welke zenuwwortel klinisch is aangedaan. Tevens
wordt zowel anamnestisch als bij neurologisch onderzoek gelet op alarmsymptomen, zoals die van een
maligniteit of myelopathie. Het is wenselijk dat alleen een MRI wordt gemaakt als de patiënt geopereerd wil
worden of als de neuro- loog meent dat andere oorzaken van wortelpijn (malig- niteit) moeten worden
uitgesloten. In de praktijk lijkt het zo te zijn dat een MRI vaker als diagnosticum wordt gebruikt zonder dat er
behandelconsequenties aan worden verbonden.
de symptomatologie in relatie tot het niveau van de aangedane wortel
Het cervicaal radiculair syndroom (CRS), veroor- zaakt door een cervicale hernia nuclei pulposi (HNP) en/of
spondylotische degeneratie, is een veelvoorko- mend probleem. Het CRS geeft uitstralende pijn in de arm,
vaak van dusdanige aard dat normaal func- tioneren ernstig wordt belemmerd. Daarnaast kan er uitval van
sensibele en motore aard zijn. Bij het overgrote deel van de patiënten met dergelijke klach- ten vermindert het
klachtenpatroon in het eerste halfjaar na aanvang van de klachten dusdanig dat het oude leefpatroon kan
worden voortgezet.
De meest voorkomende oorzaak van het cervicaal radiculair syndroom is compressie van de spinale zenuw
door een uitpuilende tussenwervelschijf of osteofytaire randwoekeringen. Bij het overgrote deel van de
patiënten gaan de pijnklachten binnen enkele maanden spontaan over. Bij de conservatieve behandeling
staan pijnbestrijding en leefregels op de voorgrond. Er zijn aanwijzingen dat een halfharde halskraag of
fysiotherapie in de eerste weken van klach- ten kunnen leiden tot snellere pijnvermindering. Indien de klachten
te invaliderend zijn voor de patiënt of als er motorische uitval of klachten van medullaire compressie bestaan,
kan operatief ingrijpen aangewezen zijn. Voor de niveaubepaling geeft een MRI van de cervicale wervelkolom
(CWK) in combinatie met het klachtenpatroon de beste resultaten. Chirurgische decompressie kan worden
gedaan door middel van een anterieure discectomie waarbij al dan niet een wervelinterponaat wordt
achtergelaten. Bij een meer lateraal gelegen hernia nuclei pulposi (HNP) kan een posterieure benadering door
middel van een mediale facetectomie wor- den verricht ter decompressie van de aangedane spinale zenuw.
Zowel de conservatieve als de operatieve behandeling kent een zeer hoog succespercentage. Het is echter
onbekend of er predisponerende factoren zijn die het succes van een van beide behandelingen kunnen voor-
spellen of dat er een optimum voor chirurgische interventie met betrekking tot de klachten- duur bestaat.
De diagnose CRS wordt gesteld op klinische gronden, na een grondige anamnese en gericht neurologisch
onderzoek. De neuroloog kan op basis hiervan aan- geven welke zenuwwortel klinisch is aangedaan. Tevens
wordt zowel anamnestisch als bij neurologisch onderzoek gelet op alarmsymptomen, zoals die van een
maligniteit of myelopathie. Het is wenselijk dat alleen een MRI wordt gemaakt als de patiënt geopereerd wil
worden of als de neuro- loog meent dat andere oorzaken van wortelpijn (malig- niteit) moeten worden
uitgesloten. In de praktijk lijkt het zo te zijn dat een MRI vaker als diagnosticum wordt gebruikt zonder dat er
behandelconsequenties aan worden verbonden.