Je kunt het verschil tussen endocriene en exocriene klieren benoemen + voorbeelden.
Endocriene klieren: geeft zijn product af aan het inwendige milieu om zo een doelwitorgaan
te bereiken. Deze stoffen worden aan het bloed gegeven, via het bloed naar
weefselvloeistoffen, cellen en lymfe. Het komt daardoor dus overal. Bijvoorbeeld de
hypofyse, de schildklier en de bijnier.
Exocriene klieren: geeft zijn product af aan het uitwendige milieu. Bijvoorbeeld zweetklieren
en verteringsklieren.
Je kunt uitleggen waarom alleen bepaalde cellen op een hormoon reageren en andere
niet.
Hormonen werken alleen op doelwitorganen en –weefsels. Want doelwitcellen bevatten
een hormoon specifieke receptor.
Je kunt uitleggen waarom de hypofyse de centrale hormoonklier wordt genoemd.
De hypofyse zet de hormoonklieren aan tot actie, maakt hormonen en regelt de groei en
rijping van geslachtscellen.
Je kunt uitleggen waarom de hypofyse in de hersenen ligt.
Het is de verbinding tussen de hersenen en het hormoonstelsel.
Je kent de adenohypofyse/voorkwab en neurohypofyse/achterkwab + structuur
verschillen.
De adenohypofyse (klierweefsel) maakt zelf hormonen en geeft deze af aan het bloed.
De neurohypofyse (zenuwweefsel) ontvangt de hormonen Oxytocine en ADH van de
hypothalamus en geeft deze af aan het bloed.
Je kunt benoemen door welke type hormonen de hypothalamus de aanmaak van
hypofysehormonen stimuleert of remt.
Synapsen in de hypothalamus geven deze hormonen af aan het bloed en gaan rechtstreeks
naar de adenohypofyse.
Releasing-hormoon: neurohormoon van de hypothalamus die de afgifte van hormonen door
de adenohypofyse stimuleert.
Inhibiting-hormoon: remmen de afgifte van hormonen.
Je kunt de begrippen positieve en negatieve feedback koppelen aan de hormonale
regelkringen van vruchtbaarheid.
Positieve feedback is blauw en negatieve terugkoppeling is rood.
, §12.2 Reacties op hormonen
Je kunt met voorbeelden uitleggen wat stapsgewijze beïnvloeding van lichaamsprocessen
betekent + klieren, hormonen, doelwitorgaan.
Processen zoals groei en stress worden nauwkeurig geregeld door hormonen, dit vindt
plaats in een aantal stappen;
Je kent de 3 type hormonen + structuur.
-Hydrofobe steroïdhormonen, kleine vetachtige stoffen zoals testosteron. Hechten aan een
receptor in het grondplasma en vormt een hormoon-receptorcomplex met een
eiwitreceptor. Die activeert DNA en via RNA ontstaat er dan een eiwit.
-Hydrofobe tyrosinehormonen, kleine/grote vetachtige stoffen zoals adrenaline. Kunnen
intercellulair of extracellulair aan een receptor binden.
-Peptidehormonen, grote eiwit stoffen zoals insuline. Hechten aan een receptor aan de
buitenkant van het celmembraan.
Je kunt beschrijven hoe hormonen met een intercellulaire receptor de cel beïnvloeden.
Ze hebben effect op een cel functies zoals de afbraak van glycogeen.
Je kunt de cascade beschrijven waarmee membraanreceptoren een boodschap doorgeven
binnen de cel en je gebruikt hierbij het begrip second messenger.
1. Een peptidehormoon hecht aan de receptor van het celmembraan.
2. Receptor activeert G-eiwit en koppelt GTP aan de receptor.
3. Er volgt een cascade aan reacties, daarbij ontstaat een second messenger (heeft de
boodschap van het hormoon overgenomen).
4. De second messenger vormt cAMP uit ATP.
5.cAMP voert celeffect in de kern uit of in andere organellen.
Je kunt een praktische functie van lokale signaalstoffen in weefsels benoemen.
De huid beschadigd -> het groeihormoon geeft groeifactoren af, deze hechten aan
receptoren van buurcellen -> de eiwitten die ontstaan beïnvloeden het controlesysteem +
door groeifactoren worden witte bloedcellen geactiveerd -> DNA-synthese en celdeling ->