De aanwezigheid van anderen heeft invloed op ons functioneren. Deze invloed kan ervoor
zorgen dat we beter gaan functioneren, maar het kan ons functioneren ook belemmeren
soms. Het bij anderen horen is een universele behoefte, die voorkomt naast de behoefte om
uniek te zijn.
De behoefte om ergens bij te horen heeft voordelen. Zo willen mensen erdoor voorkomen
dat ze zich eenzaam gaan voelen. Met een groep zou je gelukkiger zijn en langer leven. Ook
denken ze het bij een groep horen te maken heeft met de angst om uitgestoten te worden.
In een groep is het mogelijk om een sociale identiteit te ontwikkelen. Dit is de identiteit die je
krijgt door bij een bepaalde groep te horen.
Optimale distincitiviteitstheorie: het evenwicht zoeken tussen uniek zijn en ergens bij horen.
Sociale facilitatie: de individuele prestatie wordt beter in het bijzijn van anderen.
Sociale interferentie: de individuele prestatie wordt minder in het bijzijn van anderen. Je kan
het idee hebben dat mensen je evalueren / beoordelen en hierdoor ga je minder presteren.
De sociale-facilitatietheorie: het ligt eraan of je last hebt van facilitatie of interferentie door de
arousal. Deze opwinding zorgt voor meer energie. Als we iets makkelijk vinden wordt dit
omgezet in positieve energie, maar als we iets moeilijks moeten doen kan dit stress
veroorzaken of bijvoorbeeld plankenkoorts. De beoordeling speelt hierin een grote rol,
wanneer je denkt dat je beoordeeld wordt zal de energie meer opsteken. Hetzelfde geld voor
de mate waarin je denkt dat mensen naar je kijken.
Sociale loafing/ lanterfanten: meeliften op de groep bijvoorbeeld in een projectgroep.
Hierdoor steek je minder energie in het project.
Zwartrijden: wanneer je helemaal niets bijdraagt aan de groep.
Groepsdenken
De kwaliteit van besluitvorming in groepen kan ernstig worden verstoord door belemmerende
factoren. Met het consequent volgen van een prescriptief besluitvormingsmodel kunnen
verstoringen voor een groot deel worden voorkomen.
Groepsdenken (groupthink): besluitvorming van individuen in een groep. Ook hier vind
conformisme plaats en er komt dan ook steeds meer weerstand tegen deze manier van
beslissen. Leden van een groep proberen hun mening te conformeren wat volgens hen de
consensus van de groep is. Groepsdenken wordt ook vaak tunnelvisie genoemd. De
oplossing is niet altijd de beste, omdat de groep het soms te graag eens wil zijn. De kans
hierop neemt toe als:
- Je een dominante leider hebt
- Er een sterke groepscohesie is
- Er gebrek is aan een zorgvuldige procedure
- Er een homogeniteit van sociale achtergrond/ ideologie is
- Er een sterke externe druk is/ stress
- Er een sterke isolatie is van de groep
Drie typen symptomen van groepsdenken:
1. Overschatting van de groep; denken onaantastbaar te zijn.
2. Gesloten denkwijze binnen de groep.
3. Druk in de richting van uniformiteit.
Groepspolarisatie: een groep heeft de neiging een radicalere koers te varen dan een
individueel groepslid. Dit wordt ondersteund door de sociale-vergelijkingstheorie (aardig
gevonden willen worden en daardoor een standpunt innemen) en overredende argumentatie
(versterking van eigen standpunt bij het horen van nieuwe argumenten).
Groepen doen het beter dan individuen als: