Goederenrecht
Samenvatting week 3
Inleiding beperkte rechten; hypotheek §2.2, §11.1-11.3, §11.5, §12.1, §12.3.1 en §12.3.4
§2.2 beperkte rechten
Eigendom is niet het enige zakelijke recht. Dit laatste volgt al uit art. 5:1 lid 1, dat eigendom
definieert als het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben. Dit
veronderstelt dat ook nog andere ten opzichte van de eigendom in omvang beperkte rechten
op een zaak kunnen bestaan. Deze zakelijke rechten zijn alle van het eigendomsrecht
afgeleid. De eigenaar splitst ze als het ware van zijn eigendomsrecht af, waarna ze de aan
hem in eigendom behorende zaak bewaren. Hij moet vervolgens deze door hemzelf in het
leven geroepen rechten op zijn zaak respecteren, vergelijk art. 5:1 lid 2 BW.
De van de eigendom afgeleide zakelijke rechten zijn beperkte rechten in de zin van art. 3:8.
Art. 3:8 omschrijft een ‘beperkt recht’ als een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend
recht, de eigendom. Een beperkt recht hoeft echter niet noodzakelijk een zakelijk recht te
zijn. De rechthebbende op een goed dat geen zaak is, kan eveneens van zijn absolute
vermogensrecht op het goed een beperkt recht afsplitsen. Dit beperkte recht is echter geen
zakelijk recht omdat het geen zaak als object heeft.
Art. 3:201 omschrijft het beperkte recht vruchtgebruik als het recht om goederen die aan een
ander toebehoren, te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten. Ook wanneer het op
een ander goed dan een zaak is gevestigd, is het een absoluut werkend vermogensrecht.
Art. 3:228 verklaart in beginsel alle goederen – en dus niet alle zaken- vatbaar voor de
vestiging van een recht van pand hetzij van hypotheek. Hiermee in overeenstemming
definieert art. 3:227 het recht van pand en het recht van hypotheek als een beperkt recht op
een goed.
Uit absolute vermogensrechten op goederen afgeleide beperkte rechten kennen op hun
beurt weer absolute werking. Kenmerk van het recht van de eigenaar is dat hij het in beginsel
tegenover iedereen kan handhaven. Splitst de eigenaar uit zijn recht één van de in de wet
genoemde zakelijke rechten af dan neemt het aldus ontstane beperkte recht op de zaak
vergelijkbare eigenschappen mee als het eigendomsrecht waaruit het is afgeleid. Na
afsplitsing daarvan rust naast het eigendomsrecht ook nog een beperkt zakelijk recht op de
zaak dat niet alleen derden, maar ook de eigenaar heeft te respecteren. Naast de eigenaar
heeft dus ook de beperkt gerechtigde een absoluut vermogensrecht op de zaak. De eigenaar
kan nog slechts over de met het beperkte recht bezwaarde zaak beschikken. Ook de
rechthebbende op een goed dat geen zaak is, kan zijn absolute vermogensrecht op het goed
een beperkt recht afsplitsen. Op zijn beurt werkt dit afgesplitste recht eveneens absoluut. De
omstandigheid dat het geen zakelijk recht is, omdat het niet op een zaak maar op een ander
goed drukt, doet daaraan niets af.
Het absolute karakter komt onder andere tot uiting wanner de rechthebbende op het met het
beperkte recht bezwaarde goed dat goed aan een derde vervreemdt. Hij kan nog slechts
over een zaak beschikken waarop een tegen derden werkend recht rust. Aldus verkrijgt de
ander het goed waarop een recht drukt dat ook tegen hem werkt. Het beperkte recht heeft
dus ‘goedgevolg’ ofwel ‘droit de suite’. Het werkt ook tegen opvolgende verkrijgers van het
met het beperkte recht bezwaarde goed.
Samenvatting week 3
Inleiding beperkte rechten; hypotheek §2.2, §11.1-11.3, §11.5, §12.1, §12.3.1 en §12.3.4
§2.2 beperkte rechten
Eigendom is niet het enige zakelijke recht. Dit laatste volgt al uit art. 5:1 lid 1, dat eigendom
definieert als het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben. Dit
veronderstelt dat ook nog andere ten opzichte van de eigendom in omvang beperkte rechten
op een zaak kunnen bestaan. Deze zakelijke rechten zijn alle van het eigendomsrecht
afgeleid. De eigenaar splitst ze als het ware van zijn eigendomsrecht af, waarna ze de aan
hem in eigendom behorende zaak bewaren. Hij moet vervolgens deze door hemzelf in het
leven geroepen rechten op zijn zaak respecteren, vergelijk art. 5:1 lid 2 BW.
De van de eigendom afgeleide zakelijke rechten zijn beperkte rechten in de zin van art. 3:8.
Art. 3:8 omschrijft een ‘beperkt recht’ als een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend
recht, de eigendom. Een beperkt recht hoeft echter niet noodzakelijk een zakelijk recht te
zijn. De rechthebbende op een goed dat geen zaak is, kan eveneens van zijn absolute
vermogensrecht op het goed een beperkt recht afsplitsen. Dit beperkte recht is echter geen
zakelijk recht omdat het geen zaak als object heeft.
Art. 3:201 omschrijft het beperkte recht vruchtgebruik als het recht om goederen die aan een
ander toebehoren, te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten. Ook wanneer het op
een ander goed dan een zaak is gevestigd, is het een absoluut werkend vermogensrecht.
Art. 3:228 verklaart in beginsel alle goederen – en dus niet alle zaken- vatbaar voor de
vestiging van een recht van pand hetzij van hypotheek. Hiermee in overeenstemming
definieert art. 3:227 het recht van pand en het recht van hypotheek als een beperkt recht op
een goed.
Uit absolute vermogensrechten op goederen afgeleide beperkte rechten kennen op hun
beurt weer absolute werking. Kenmerk van het recht van de eigenaar is dat hij het in beginsel
tegenover iedereen kan handhaven. Splitst de eigenaar uit zijn recht één van de in de wet
genoemde zakelijke rechten af dan neemt het aldus ontstane beperkte recht op de zaak
vergelijkbare eigenschappen mee als het eigendomsrecht waaruit het is afgeleid. Na
afsplitsing daarvan rust naast het eigendomsrecht ook nog een beperkt zakelijk recht op de
zaak dat niet alleen derden, maar ook de eigenaar heeft te respecteren. Naast de eigenaar
heeft dus ook de beperkt gerechtigde een absoluut vermogensrecht op de zaak. De eigenaar
kan nog slechts over de met het beperkte recht bezwaarde zaak beschikken. Ook de
rechthebbende op een goed dat geen zaak is, kan zijn absolute vermogensrecht op het goed
een beperkt recht afsplitsen. Op zijn beurt werkt dit afgesplitste recht eveneens absoluut. De
omstandigheid dat het geen zakelijk recht is, omdat het niet op een zaak maar op een ander
goed drukt, doet daaraan niets af.
Het absolute karakter komt onder andere tot uiting wanner de rechthebbende op het met het
beperkte recht bezwaarde goed dat goed aan een derde vervreemdt. Hij kan nog slechts
over een zaak beschikken waarop een tegen derden werkend recht rust. Aldus verkrijgt de
ander het goed waarop een recht drukt dat ook tegen hem werkt. Het beperkte recht heeft
dus ‘goedgevolg’ ofwel ‘droit de suite’. Het werkt ook tegen opvolgende verkrijgers van het
met het beperkte recht bezwaarde goed.