Begrippenlijst Ethiek:
Recht & moraal
Moreel oordeel = Een waardering van menselijk gedrag aan de hand van morele
uitgangspunten. Dit wil zeggen dat een moreel oordeel iets zegt over wat iemand vindt,
denkt en voelt bij het gedrag van een ander. (uitspraak over juist/onjuist gedrag)
Morele uitgangspunten = Een omschrijving van iets dat op zichzelf nastrevenswaardig is
betreffende menselijk samenleven.
Moraal = Het geheel van gedeelde morele oordelen van een groep dat ontstaat in een
gesprek. Het is het geheel van morele regels waaraan wij onszelf en anderen in redelijkheid
gehouden achten.
Ethiek = de wetenschap die moraal bestudeert en die tracht de moraal verder te helpen
door nieuwe argumenten te ontwikkelen en te gebruiken in afwegingen.
Normen = ongeschreven regels waar je je aan moet houden.
Waarden = opvattingen over wat juist is.
Deugden = karaktereigenschap betreffende goed samenleven.
Cultuur = geheel aan gewoonten en regels dat bij een volk of stam hoort
Culturele programmering = het aanleren van cultuur via opvoeding, socialisatie,. normen en
waarden en waarneming
Normatieve functie recht = Gedragsregels die zo belangrijk worden gevonden dat er straf
wordt gesteld wanneer deze worden overtreden.
Law in books = Recht zoals het staat in het boek. Gewoon de wetsteksten in je wettenbundel
Law in action = Recht dat wordt toegepast.
Rechtssociologie = Een onderdeel van de sociologie waarbinnen onderzoek wordt verricht
naar de wisselwerking tussen het recht in de samenleving.
, Botsende grondrechten: vrijheden en rechten
Recht = Een norm die stelt dat anderen iets moeten doen of laten met als doel een bepaalde
vrijheid van een individu te garanderen. Een recht is zo geformuleerd dat het resultaat, de
vrijheid van een individu, centraal staat. Een recht verplicht anderen.
Algemene rechten = rechten die niet zijn toegewezen aan aanwijsbare personen.
Algemenen rechten komen ieder mens toe omdat hij/zij gewoon een mens is.
Bijzondere/ specifieke rechten = rechten zijn specifiek in de zin dat ze toegewezen zijn aan
een bepaalde persoon op basis van een afspraak, een belofte of een contract.
Morele rechten = Een recht dat gebaseerd is op een verzameling morele uitgangspunten.
Ideële morele rechten = Morele rechten die geen brede erkenning genieten, zoals algemene
erkende morele rechten.
Vrijheid = Het recht om zelf over je leven te beschikken zonder bemoeienis van anderen.
Schadebeginsel = Als een handeling duidelijk schade aan andere toebrengt, is deze
handeling moreel slecht en afkeurenswaardig. Dit noem je het schadebeginsel.
Vrijheid van = Negatieve vrijheid is vrijheid van omdat je vrij bent van bemoeienis van een
ander.
Klassieke grondrechten = Grondrechten die de overheid verbiedt sommige dingen te doen
bijvoorbeeld discriminatie wat niet mag.
Vrijheid tot = Vrijheden die we alleen kunnen realiseren met behulp van ondersteuning door
een overheid is positieve vrijheid. Een ander moet iets juist wel doen.
Sociale grondrechten = Grondrechten die de overheid juist verplicht sommige dingen te
doen bijvoorbeeld iedereen moet onderwijs kunnen volgen.
Zelfbeschikking = Zelfbeschikking is het recht zelf te beslissen wat er met jou gebeurd in een
situatie waarin je voor de uitvoering afhankelijk bent van anderen.
Paternalisme = Paternalisme betekent dat iemand anders beter weet wat goed voor je is en
daar beslissen naar handelt.
Moralisme/ moralistische regelgeving = moralisme is het opleggen aan anderen van een
morele keuze die autonoom (als onvoorwaardelijk imperatief) geformuleerd is.
Recht & moraal
Moreel oordeel = Een waardering van menselijk gedrag aan de hand van morele
uitgangspunten. Dit wil zeggen dat een moreel oordeel iets zegt over wat iemand vindt,
denkt en voelt bij het gedrag van een ander. (uitspraak over juist/onjuist gedrag)
Morele uitgangspunten = Een omschrijving van iets dat op zichzelf nastrevenswaardig is
betreffende menselijk samenleven.
Moraal = Het geheel van gedeelde morele oordelen van een groep dat ontstaat in een
gesprek. Het is het geheel van morele regels waaraan wij onszelf en anderen in redelijkheid
gehouden achten.
Ethiek = de wetenschap die moraal bestudeert en die tracht de moraal verder te helpen
door nieuwe argumenten te ontwikkelen en te gebruiken in afwegingen.
Normen = ongeschreven regels waar je je aan moet houden.
Waarden = opvattingen over wat juist is.
Deugden = karaktereigenschap betreffende goed samenleven.
Cultuur = geheel aan gewoonten en regels dat bij een volk of stam hoort
Culturele programmering = het aanleren van cultuur via opvoeding, socialisatie,. normen en
waarden en waarneming
Normatieve functie recht = Gedragsregels die zo belangrijk worden gevonden dat er straf
wordt gesteld wanneer deze worden overtreden.
Law in books = Recht zoals het staat in het boek. Gewoon de wetsteksten in je wettenbundel
Law in action = Recht dat wordt toegepast.
Rechtssociologie = Een onderdeel van de sociologie waarbinnen onderzoek wordt verricht
naar de wisselwerking tussen het recht in de samenleving.
, Botsende grondrechten: vrijheden en rechten
Recht = Een norm die stelt dat anderen iets moeten doen of laten met als doel een bepaalde
vrijheid van een individu te garanderen. Een recht is zo geformuleerd dat het resultaat, de
vrijheid van een individu, centraal staat. Een recht verplicht anderen.
Algemene rechten = rechten die niet zijn toegewezen aan aanwijsbare personen.
Algemenen rechten komen ieder mens toe omdat hij/zij gewoon een mens is.
Bijzondere/ specifieke rechten = rechten zijn specifiek in de zin dat ze toegewezen zijn aan
een bepaalde persoon op basis van een afspraak, een belofte of een contract.
Morele rechten = Een recht dat gebaseerd is op een verzameling morele uitgangspunten.
Ideële morele rechten = Morele rechten die geen brede erkenning genieten, zoals algemene
erkende morele rechten.
Vrijheid = Het recht om zelf over je leven te beschikken zonder bemoeienis van anderen.
Schadebeginsel = Als een handeling duidelijk schade aan andere toebrengt, is deze
handeling moreel slecht en afkeurenswaardig. Dit noem je het schadebeginsel.
Vrijheid van = Negatieve vrijheid is vrijheid van omdat je vrij bent van bemoeienis van een
ander.
Klassieke grondrechten = Grondrechten die de overheid verbiedt sommige dingen te doen
bijvoorbeeld discriminatie wat niet mag.
Vrijheid tot = Vrijheden die we alleen kunnen realiseren met behulp van ondersteuning door
een overheid is positieve vrijheid. Een ander moet iets juist wel doen.
Sociale grondrechten = Grondrechten die de overheid juist verplicht sommige dingen te
doen bijvoorbeeld iedereen moet onderwijs kunnen volgen.
Zelfbeschikking = Zelfbeschikking is het recht zelf te beslissen wat er met jou gebeurd in een
situatie waarin je voor de uitvoering afhankelijk bent van anderen.
Paternalisme = Paternalisme betekent dat iemand anders beter weet wat goed voor je is en
daar beslissen naar handelt.
Moralisme/ moralistische regelgeving = moralisme is het opleggen aan anderen van een
morele keuze die autonoom (als onvoorwaardelijk imperatief) geformuleerd is.