1. De student begrijpt de gelaagde structuur van het BW.
Privaatrecht -> BW (burgerlijk wetboek)
Boek 1: personen- en familierecht bijvoorbeeld: wanneer is er sprake van een
huwelijk of echtscheiding en wat zijn de omgangsregels?
Boek 2: Rechtspersonenrecht bijvoorbeeld: wanneer is er sprake van een
vereniging?
Boek 3: Vermogensrecht
Boek 4: erfrecht (NIET BEHANDELEN!) bijvoorbeeld: testamenten.
Boek 5: zakelijke rechten
Boek 6: verbintenissenrecht (overeenkomstenrecht)
Boek 7: bijzondere overeenkomsten
Boek 7A: vervolg bijzondere overeenkomsten
Boek 8: verkeersmiddelen & vervoer
Boek 9: nog steeds in de maak, die is er nog niet…
Boek 10: internationaal privaatrecht (NIET BEHANDELEN!)
1992 – nieuwe BW
Wat houdt de gelaagde structuur in de BW in?
Er is een gelaagde structuur van van het BW en we gaan van steeds algemene
regels naar meer specifieke regels. Dus als je iets moet opzoeken of moet oplossen,
dan kijk je niet alleen naar 1 boek, maar naar meerdere boeken. Want de regels
gaan van algemeen, naar bijzonder.
1
, 2. De student herkent de beginselen van het privaatrecht in een casus.
Beginselen van het privaatrecht:
- Contractsvrijheid
Partijen zijn vrij om waar dan ook afspraken over te maken, contracten en
overeenkomsten te sluiten. Het mag niet in strijd zijn met de openbare orde of goede
zede. (inhoud van een overeenkomst)
- Pacta sunt servanda (belofte maakt schuld)
Overeenkomst is overeenkomst. Wat je beloofd dat moet je nakomen, en daar kan je
niet onderuit.
- Vormvrijheid
Je kan overeenkomsten sluiten op de manier dat je wilt, behalve als de wet dat
anders bepaalt. (manier waarop je een overeenkomst aangaat, de vorm) een
contract is vormvrij.
- De redelijkheid en de billijkheid
Als jij een overeenkomst gesloten, maar je wilt onder die overeenkomst uit komen,
dan kan je altijd beroepen op de redelijkheid en billijkheid (vangnet bepaling)
- Bijzonder gaat voor algemeen
De specifieke regel gaat voor de algemene recht.
3. De student herkent de begrippen rechtshandeling, feitelijke handeling,
bloot rechtsfeit en verbintenis in een casus.
Rechtshandeling ( Art. 3:33 BW) = een rechtshandeling vereist een op een
rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard. (je pakt je
pinpas omdat je WILT betalen)
-eenzijdige rechtshandeling -> testament -> een persoon vraagt iets aan, maar de
ander hoeft dat perse niet te aanvaarden.
- meerzijdige rechtshandeling -> schenking -> een persoon schenkt iets en de ander
aanvaart het.
Feitelijke handeling = Een menselijke handeling met rechtsgevolg, maar wil is niet
vereist. Er is geen wil om iets te doen zeg maar. (Per ongeluk een schade
aanbrengen aan iemand zijn huis, maar deed het zonder wil, maar moet toch
schadevergoeding betalen.)
Bloot rechtsfeit = vereist geen bewuste menselijke handeling voor het rechtsgevolg,
bijvoorbeeld een geboorte of meerderjarigheid.
Verbintenis = Een vermogensrechtelijke relatie tussen 2 of meer partijen, waarbij de
ene partij verplicht is tot een prestatie waarop de andere partij recht heeft. Aan de
ene kan een recht en aan de andere een plicht!
2