Pathologie oncologie in beeld
HC Intro Patho
Cytologie is onderzoek van de cellen. Deze worden verkregen uit puncties, of van uitstrijkjes. Ook kan
het in materiaal zitten zoals urine, sputum en tepelvocht.
Histologie is weefselonderzoek, dat komt uit biopten, excisies, resecties of amputaties.
HC GE Pathologie
Poliepen/adenomen zijn premaligne, dus voorlopers van darmkanker.
Colorectaal carcinoom in een coloscopie heeft meestal opstaande randen, met in het midden vlakte
en ulceratie. Dit zijn de groeiende cellen.
Hyperplasie is toename van het aantal cellen in een weefsel, door stimulatie van de rustende cellen
(G0) in de celcyclus in te gaan en te gaan vermeerderen.
Dysplasie: gedesorganiseerde groei en maturatie van de cellulaire componenten van een weefsel
(pre maligne).
Carcinoma in situ is zonder invasieve groei, het blijft op zijn plek.
Kanker is invasieve groei in omliggende structuren. (maligne)
,Kenmerken van dysplasie in colon:
Gestoorde maturatie, pseudo stratificatie, verlies van goblet cellen, verlies van nucleaire oriëntatie,
nucleaire atypie, vorming van nucleoli, abnormale crypt formatie.
Normale lymfeklier
Klinische identificatie van Lynch syndroom: Amsterdam II criteria
- Ten minste 3 familieleden moeten een histologisch geverifieerd Lynch
syndroom-gerelateerde kanker hebben.
- Een moet een eerstegraads familielid zijn van de andere twee
- Ten minste twee opeenvolgende generaties moeten aangedaan zijn
- Ten minste een van de familieleden met een Lynch-syndroom gerelateerde kanker moet de
diagnose hebben gekregen voor de leeftijd 50 jaar.
Dit doe je met kleuringen van MMR eiwitten op alle colorectaal carcinomen bij patiënten < 70 jaar.
, HC Longkanker
Primaire longtumoren zijn in 99% van de gevallen afkomstig van epitheel, en 95% van epitheliale
longtumoren zijn maligne, dus carcinomen.
Normaal bronchusslijmvlies:
- Trilhaarepitheel
- Slijmbekercellen
- Basaalcellen
- Neuro-endocriene cellen
- Basaalmembraan
- Stroma
Longcarcinomen kunnen ontstaan uit bronchiaal cylinderepitheel, metaplastisch plaveiselepitheel of
uit pneumocyten (cellen in de alveoli).
Kleincellig carcinoom heeft als oorsprong neuro-endocriene cellen. In 70% ligt
het centraal. Voorstadium is DIPNECH (diffuse pulmonary neuroendocrine cell
hyperplasia). Je ziet ronde of spoelvormige kernen en veel mitosen, deze
liggen in een soort ronde groepjes vaak bij elkaar. Geen duidelijke nucleoli en
hoge proliferatieve activiteit. Er is weinig cytoplasma te zien, vooral kernen.
Deze liggen dicht op elkaar, waardoor ze elkaar soms platdrukken:
kernmoulding.
Adenocarcinoom komt het vaakst voor,
meer perifeer in de long. Soms is er
associatie met littekens/fibrose. Voorloper
is adenocarcinoma in situ, is te
onderscheiden in mucineus en
niet-mucineus.
Het groeipatroon is van betekenis voor de
prognose. Van best naar slechtst:
- De beste prognose is lepidisch type. de tumorcellen groeien langs de basaalmembranen van
de alveoli. In eerste instantie dus niet invasief.
- Acinair is wanneer er buisjes met lumina vormen.
- Papillaire groei maakt uitstulpingen in het lumen. Zolang er nog stroma te zien is.
- Micropapillaire groei is wanneer er geen stroma meer te zien is.
- Solide groei is nauwelijks meer te herkennen als adenocarcinoom.
- Invasieve mucineuze heeft dezelfde groei als het carcinoma in situ, maar dan invasief.
Prognose ongeveer tussen papillair en micropapillair.
Criteria voor adenocarcinomen: buisvorming en kliervormend epitheel maakt ook secreet. Een van
de twee moet aanwezig zijn.
Je ziet afgeronde celgroepjes, buisvorming, kernoverlap en prominente
nucleoli.
HC Intro Patho
Cytologie is onderzoek van de cellen. Deze worden verkregen uit puncties, of van uitstrijkjes. Ook kan
het in materiaal zitten zoals urine, sputum en tepelvocht.
Histologie is weefselonderzoek, dat komt uit biopten, excisies, resecties of amputaties.
HC GE Pathologie
Poliepen/adenomen zijn premaligne, dus voorlopers van darmkanker.
Colorectaal carcinoom in een coloscopie heeft meestal opstaande randen, met in het midden vlakte
en ulceratie. Dit zijn de groeiende cellen.
Hyperplasie is toename van het aantal cellen in een weefsel, door stimulatie van de rustende cellen
(G0) in de celcyclus in te gaan en te gaan vermeerderen.
Dysplasie: gedesorganiseerde groei en maturatie van de cellulaire componenten van een weefsel
(pre maligne).
Carcinoma in situ is zonder invasieve groei, het blijft op zijn plek.
Kanker is invasieve groei in omliggende structuren. (maligne)
,Kenmerken van dysplasie in colon:
Gestoorde maturatie, pseudo stratificatie, verlies van goblet cellen, verlies van nucleaire oriëntatie,
nucleaire atypie, vorming van nucleoli, abnormale crypt formatie.
Normale lymfeklier
Klinische identificatie van Lynch syndroom: Amsterdam II criteria
- Ten minste 3 familieleden moeten een histologisch geverifieerd Lynch
syndroom-gerelateerde kanker hebben.
- Een moet een eerstegraads familielid zijn van de andere twee
- Ten minste twee opeenvolgende generaties moeten aangedaan zijn
- Ten minste een van de familieleden met een Lynch-syndroom gerelateerde kanker moet de
diagnose hebben gekregen voor de leeftijd 50 jaar.
Dit doe je met kleuringen van MMR eiwitten op alle colorectaal carcinomen bij patiënten < 70 jaar.
, HC Longkanker
Primaire longtumoren zijn in 99% van de gevallen afkomstig van epitheel, en 95% van epitheliale
longtumoren zijn maligne, dus carcinomen.
Normaal bronchusslijmvlies:
- Trilhaarepitheel
- Slijmbekercellen
- Basaalcellen
- Neuro-endocriene cellen
- Basaalmembraan
- Stroma
Longcarcinomen kunnen ontstaan uit bronchiaal cylinderepitheel, metaplastisch plaveiselepitheel of
uit pneumocyten (cellen in de alveoli).
Kleincellig carcinoom heeft als oorsprong neuro-endocriene cellen. In 70% ligt
het centraal. Voorstadium is DIPNECH (diffuse pulmonary neuroendocrine cell
hyperplasia). Je ziet ronde of spoelvormige kernen en veel mitosen, deze
liggen in een soort ronde groepjes vaak bij elkaar. Geen duidelijke nucleoli en
hoge proliferatieve activiteit. Er is weinig cytoplasma te zien, vooral kernen.
Deze liggen dicht op elkaar, waardoor ze elkaar soms platdrukken:
kernmoulding.
Adenocarcinoom komt het vaakst voor,
meer perifeer in de long. Soms is er
associatie met littekens/fibrose. Voorloper
is adenocarcinoma in situ, is te
onderscheiden in mucineus en
niet-mucineus.
Het groeipatroon is van betekenis voor de
prognose. Van best naar slechtst:
- De beste prognose is lepidisch type. de tumorcellen groeien langs de basaalmembranen van
de alveoli. In eerste instantie dus niet invasief.
- Acinair is wanneer er buisjes met lumina vormen.
- Papillaire groei maakt uitstulpingen in het lumen. Zolang er nog stroma te zien is.
- Micropapillaire groei is wanneer er geen stroma meer te zien is.
- Solide groei is nauwelijks meer te herkennen als adenocarcinoom.
- Invasieve mucineuze heeft dezelfde groei als het carcinoma in situ, maar dan invasief.
Prognose ongeveer tussen papillair en micropapillair.
Criteria voor adenocarcinomen: buisvorming en kliervormend epitheel maakt ook secreet. Een van
de twee moet aanwezig zijn.
Je ziet afgeronde celgroepjes, buisvorming, kernoverlap en prominente
nucleoli.