Oefenvragen Inleiding Onderwijssociologie
1. Wat zijn problemen bij de definiëring van sociologie?
2. Leg kort uit hoe sociologie is ontstaan.
3. Leg de volgende uitspraak uit: “alles is contigent, maar daarmee nog niet arbitrair.”
4. Leg het probleem van de niet arbitraire contingentie uit.
5. Wat zijn de drie legitimerende derden? Leg ze uit.
6. Wat was de visie van Comte en hoe verschilde dit met Habermas?
7. Wat was Luhmanns kritiek op Habermas? Wat was zijn visie op de sociale orde?
8. De socioloog heeft drie taken: de empirisch-analytische taak, de kritische taak en de
praktische taak. Leg ze alle drie kort uit.
9. Wat is het verschil tussen de collectivistische visie en de individualistische visie?
10. Wat houdt de rationele keuze theorie in?
11. Wat zijn onbedoelde gevolgen en perverse effecten?
12. Wat is het verschil tussen zelfbevestigende en zelfvernietigende voorspellingen?
13. Wat houdt de rationele keuze theorie in?
14. Wat houdt de conflicttheorie in? Hoe verschilt dit met de Marxistische theorie?
15. Noem de vijf kernfuncties van het onderwijs.
16. Er zijn twee soorten kennis. Noem ze en leg ze kort uit.
17. Leg uit hoe Harold Garfinkel praktische kennis ontdekte.
18. Wat is etnomethodologie?
19. “Rollen zijn voorspelbaar en contextafhankelijk.” Leg deze uitspraak uit.
20. Wat zijn de visies van het functionalisme en de conflict theoretische paradigma op
leerlingrollen?
21. Wat is het verschil tussen conventionele en onconventionele strategie?
22. Wat zei Elchardus over rollen?
23. Wat houdt de dramaturgische theorie in?
24. Wat houdt het symbolisch interactionisme in?
25. Het sociaal handelen kan op drie manieren. Leg de theorie van Weber, Dilthey en
Parsons kort uit.
26. Noem de twee compenenten van sociale ongelijkheid.
27. Wat is meritocratie?
28. Wat zeggen het functionalisme en de conflicttheorie over meritocratie?
29. Wat is habitus?
30. Wat zijn individualistische en contextuele verklaringen van crimineel gedrag?
31. De volgende theorieën zeggen iets over de oorzaak van afwijkend gedrag. Leg kort
uit:
- Anonmietheorie (Merton)
- Sociale controle theorie (Hirsi)
- Sociale desorganisatie theorie (Shaw & McKay)
- Symbolisch interactionisme
- Etiketteringtheorie
32. Wat is discours?
33. Wat is het verschil tussen externe en interne sancties?
1. Wat zijn problemen bij de definiëring van sociologie?
2. Leg kort uit hoe sociologie is ontstaan.
3. Leg de volgende uitspraak uit: “alles is contigent, maar daarmee nog niet arbitrair.”
4. Leg het probleem van de niet arbitraire contingentie uit.
5. Wat zijn de drie legitimerende derden? Leg ze uit.
6. Wat was de visie van Comte en hoe verschilde dit met Habermas?
7. Wat was Luhmanns kritiek op Habermas? Wat was zijn visie op de sociale orde?
8. De socioloog heeft drie taken: de empirisch-analytische taak, de kritische taak en de
praktische taak. Leg ze alle drie kort uit.
9. Wat is het verschil tussen de collectivistische visie en de individualistische visie?
10. Wat houdt de rationele keuze theorie in?
11. Wat zijn onbedoelde gevolgen en perverse effecten?
12. Wat is het verschil tussen zelfbevestigende en zelfvernietigende voorspellingen?
13. Wat houdt de rationele keuze theorie in?
14. Wat houdt de conflicttheorie in? Hoe verschilt dit met de Marxistische theorie?
15. Noem de vijf kernfuncties van het onderwijs.
16. Er zijn twee soorten kennis. Noem ze en leg ze kort uit.
17. Leg uit hoe Harold Garfinkel praktische kennis ontdekte.
18. Wat is etnomethodologie?
19. “Rollen zijn voorspelbaar en contextafhankelijk.” Leg deze uitspraak uit.
20. Wat zijn de visies van het functionalisme en de conflict theoretische paradigma op
leerlingrollen?
21. Wat is het verschil tussen conventionele en onconventionele strategie?
22. Wat zei Elchardus over rollen?
23. Wat houdt de dramaturgische theorie in?
24. Wat houdt het symbolisch interactionisme in?
25. Het sociaal handelen kan op drie manieren. Leg de theorie van Weber, Dilthey en
Parsons kort uit.
26. Noem de twee compenenten van sociale ongelijkheid.
27. Wat is meritocratie?
28. Wat zeggen het functionalisme en de conflicttheorie over meritocratie?
29. Wat is habitus?
30. Wat zijn individualistische en contextuele verklaringen van crimineel gedrag?
31. De volgende theorieën zeggen iets over de oorzaak van afwijkend gedrag. Leg kort
uit:
- Anonmietheorie (Merton)
- Sociale controle theorie (Hirsi)
- Sociale desorganisatie theorie (Shaw & McKay)
- Symbolisch interactionisme
- Etiketteringtheorie
32. Wat is discours?
33. Wat is het verschil tussen externe en interne sancties?