1.1 Het ontstaan en de opbouw van de aarde:
De Schotse geoloog Hutton kwam met het grondbeginsel ‘het actualiteitsprincipe’.
Daarbij ging hij uit van het beginsel dat de processen die we nu op aarde zien, vroeger
ook zo hebben gewerkt. Ook zijn er vroeger grote en kleine catastrofes geweest die de
geologische cycli hebben doorbroken.
In de nevel vormden zich rondom de protozon planeetachtige lichamen. Door de
zwaartekracht botsten ze tegen elkaar aan en werden de lichamen groter. Deze 8
planeten, manen, asteroïden en planetoïden draaien om de zon. De sterren met
gasnevels vormen samen met onze zon een cluster: een schijf met spiraalarmen. Dit is
een sterrenstelsel, ons Melkwegstelsel. Heelal bestaat uit meerdere sterrenstelsels.
De aarde verschilt van de andere planeten in ons zonnestelsel: er is vloeibaar water op
het aardoppervlak en de aarde bestaat uit schillen met specifieke eigenschappen. Bij de
schillen kijk je naar de chemische samenstelling (welke materialen) en fysische
eigenschappen (hoe hard).
Chemische samenstelling: Door inslagen van meteorieten kwam er veel warmte
waardoor de aarde smolt en zware elementen zakten. Zo ontstond een kern (ijzer) en
mantel. Door het inslagen van groot hemellichaam werd veel materiaal de ruimte in
geslingerd, waaruit de maan ontstond. De aarde smolt opnieuw en er trad een scheiding
van mineralen plaats. De aardkern bestaat vooral uit ijzer en is heel warm. De
aardmantel bestaat uit magnesium en ijzer en iets minder warm. De aardkorst is een
dunne laag van vast gesteente en bestaat in 2 vormen:
1. De continentale korst onder de continenten bestaande uit een vrij licht gesteente.
2. De oceanische korst onder de oceanen bestaande uit vrij zwaar gesteente (daalt).
Fysische eigenschap: de harde en vaste buitenlaag van de aarde wordt de lithosfeer
genoemd. Dit is de aardkorst en het harde bovengedeelte van de mantel. Daaronder ligt
de asthenosfeer , een zachtere laag. Deze laag rust op een harder deel van de mantel :
de binnenmantel. Daarna komt de vloeibare buitenkern en de harde binnenkern.
De aarde krijgt haar warmte van inwendige en uitwendige bronnen. Bij inslagen van
hemelichamen kwam veel warmte vrij die zich in de aarde ophoopte. Ook aantal
radioactieve gesteenten geeft warmte af. Het hete vaste gesteente verplaatst zich
langzaam in de mantel naar het aardoppervlak. Bij de lithosfeer verplaatst de warmte
zich op 2 manieren:
1. De lithosfeer is te hard waardoor het gesteente naar buiten wordt verplaatst.
2. Op een aantal plekken breekt magma door de druk→ vulkanisme.
Anne den Hartog, B6b