Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

samenvatting Economie van de managementwetenschappen

Beoordeling
4.0
(1)
Verkocht
3
Pagina's
11
Geüpload op
23-06-2016
Geschreven in
2015/2016

samenvatting Economie van de managementwetenschappen. Roger Arnold and Esther Sent. Jaar 1 Bedrijfskunde RU.

Instelling
Vak

Voorbeeld van de inhoud

Samenvatting economie vd managementwetenschappen
Hoofdstuk 1
Good: iets dat een mens zijn behoeftes bevredigd.
Utility: de tevredenstelling die iemand krijgt van een Good.
Bad: iets waar een mens ontevreden van wordt.
Disutility: de ontevredenheid die je krijgt van een Bad.
Dit is persoonsgebonden, wat voor de een good is, is voor de andere en bad en andersom, bijv.
roken.
Land: de natuurlijke middelen.
Labor: de menselijke contributie aan het werkproces
Capital: goederen die andere goederen kunnen produceren, bijv. machines en fabrieken.
Entrepreneurship: het talent dat sommige hebben voor het organiseren van de middelen en nieuwe
mogelijkheden vinden.
Scarcity: schaarst, onze behoeftes zijn groter dat de gelimiteerde middelen kunnen produceren om
die behoefte te bevredigen.
Economics: de wetenschap van schaarste en hoe individuen en de maatschappij daarmee omgaan.

Schaarste betekent niet dat een land arm of rijk is, schaarse goederen zijn gewoon goederen die
productiemiddelen kosten, niet meer, niet minder.

Schaarste brengt heeft 3 effecten:
1 de behoefte om nieuwe keuzes te moeten maken: men kan niet alles hebben, je moet keuzes
maken.
2 de behoefte aan een rationing device: wie krijgt welke middelen: alles is gelimiteerd, er moet dus
een verdeling komen.
3 scarcity and competition: als er genoeg middelen waren, dan was er geen competitie nodig.
Mensen proberen daardoor meer van het rationing device te krijgen dan voorheen.

Opportunity costs: Opportunity costs. De verloren gegane best mogelijke alternatieve aanwending
van productiemiddelen. (opofferingskosten). Wat had je anders kunnen verdienen of kopen.
Er zijn altijd opofferingskosten en niks is gratis, dan jij niet betaald, betekent niet dat het voor
helemaal niks is.
Opofferingskosten kunnen het gedrag en de keuzes van een mens beïnvloeden.

Benefits and costs: ook dit is weer persoonsgebonden. Alle voordelen hebben ook nadelen en
andersom. Men moet denken in beide.

Decisions made at the margin:
Men denkt veel in toevoeging of het marginale en niet in de complete.
Marginale benefits: de benefits die komen bij het krijgen van nog één extra goed.
Marginale kosten: de kosten die komen bij het krijgen van één extra goed.
Decisions at the margin: keuzes maken en rekening houden met de marginale kosten of benefits die
er bij komen.
Efficiency: als marginale kosten en baten gelijk zijn aan elkaar.
Voor dit punt is MB > MC na dit punt is MC>MB
Net benefits: de bijkomende baten, maar die gaan wel gepaard met bijkomende kosten.
Incentives: iets dat iemand aanmoedigt of motiveert om iets te ondernemen. Vaak ondernemen
mensen iets als de baten groter zijn dan de kosten.

,Unintended effects. Onbedoelde effecten/gevolgen, niet alleen voor jezelf, maar ook voor andere.
Exchange/trade: iets opgeven voor iets anders (ruilen).
Trade of exchange:
Consumentensurplus: het verschil tussen de prijs die je bereid bent te betalen en de prijs die men
daadwerkelijk betaalt.
Producentensurplus: het verschil tussen de prijs die wordt ontvangen en de prijs waartegen je bereid
was te leveren.
Transactiekosten: kosten die gepaard gaan met de transactie, soms vindt er geen transactie plaats
door deze kosten.
Third-party effects: effecten op derde, soms onbedoeld. Ook ethische vragen komen aan de orde.
Handelen zonder geld: een comparatief voordeel: je hebt lagere opofferingskosten dan iemand
anders, bijv. je concurrent.

Ceteris paribus: alles blijft hetzelfde, het verandert niet.
Abstractions: het proces waarbij men zich richt op variabelen om iets te voorspellen.
Associatie: B vindt naar A plaats, maar B wordt niet door A veroorzaakt
Causatie: B wordt veroorzaakt door A
Onderscheid tussen individu en de groep: wat goed is voor de één is niet perse goed voor de ander.
Bijv. wat goed is voor één bedrijf, maar als andere bedrijven hetzelfde doen, dan hoeft dat niet perse
goed uit te pakken.
Economen bouwen testen en theorieën:
Wat is een theorie: een versimpelde beschrijving van de werkelijkheid. Theorie is abstract en je moet
kijken of je met die abstractie wel het doel kan bereiken. In een theorie komen de dingen voor
waarvan de onderzoeker denkt dat ze invloed hebben op het fenomeen. Je vraagt: als de theorie
correct is, wat kunnen we dan verwachten in de werkelijkheid.
Testen: je stelt vragen en die hypotheses test je en kijk je of je veronderstelling kloppen en zo niet
dan begin je opnieuw.
Hoe goed kunnen theorieën voorspellen: bijv. Peter principle. Je maakt promotie als je er goed in
bent. Als je geen promotie krijgt, ben je niet goed genoeg, dus je staat eigenlijk 1 positie te hoog.
Grote uitdaging is theorie en praktijk in overeenkomst brengen.

Positieve economie: een feit, wat er is. Het is te toetsen, waar of niet waar.
Normatieve: wat zou er moeten zijn, meer een mening.

Micro economie: kleine eenheden: huishoudens individuele bedrijven, maar heeft ook te maken met
menselijk gedrag en keuzes.
Macro economie: richt zich op het gehele land, variabele als BNP, werkgelegenheid, wisselkoersen,
etc.
Bij het kijken naar problemen, moet eerst het probleem worden gedefinieerd, daarna de oorzaken en
dan moeten er daarvoor oplossingen worden gevonden.

,Hoofdstuk 2:
(zie ook collegeblok voor grafieken):
Production Possibilities Frontier (PPF): de mogelijke combinaties van 2 goederen die worden
geproduceerd in een bepaalde tijd. Onder optimaal benutte productiemiddelen.
Production possibilities Frontier (constant opportunity costs): een rechte lijn waarop de
mogelijkheden van het delen van productie mogelijk zijn.
PPF (increasing opportunity costs): een gebogen lijn, waarbij de opofferingskosten veranderen
naarmate je meer producten van het ander gaat maken en dus productiemiddelen moet gaan
inwisselen.
Law of increasing opportunity costs: hoe meer er van een goed wordt geproduceerd, hoe meer
opofferingskosten dat gaat kosten naarmate je meer van dat goed gaat produceren.
Alles op de PPF lijn is efficiënt, alle productiemiddelen worden optimaal benut. Binnen de lijn wordt
niet alles benut en buiten de lijn is niet haalbaar of voor een hele korte tijd als oververhitten.
Productive efficient: de conditie waarin er een maximale output wordt geproduceerd met de
gegeven productiemiddelen.
Productive inefficient: de conditie waarin er minder dan de maximale output wordt geproduceerd
met de gegeven productiemiddelen. Er kan meer van een goed worden geproduceerd zonder dat er
iets in de overige productie hoeft te veranderen.

Economische groei kan ontstaan door 2 dingen: een groei van de middelen en een verbetering van
de technologie.
Technology: de skills en kennis die betrokken zijn bij het gebruik van productiemiddelen. Een
verbetering levert vaak meer output met dezelfde of minder middelen.
Als de productiecapaciteit vergroot dan verwijdt de PPF in zijn geheel, maar technische vooruitgang
van één product is het alleen de X of Y-as.
Comparative advantage: de situatie dat iemand een goed kan produceren tegen lagere
opofferingskosten dan een ander dat kan.
Bij non-specialisation non trade. Zit je op de PPF, bij specialisatie en ruil, kan kun je buiten je PPF
treden en hebben beide handelaren voordeel ervan.

Hoofdstuk 3:
Demand:
Law of demand: als de prijs stijgt, daalt de vraag. Als de prijs daalt, stijgt de prijs.
Demand schedule: de grafiek weergegeven in een tabel.
Demand curve: de grafiek van de vraag.
Law of diminishing marginal utility: als iemand meer van een goed consumeert, zal op een gegeven
moment het nu dat hij van dat goed ondervindt afnemen.
Verschil vraag en gevraagde hoeveelheid: zie collegeblok.
Own price: de prijs van een goed.
Deman shift explanation:
- Een verandering in het inkomen. (normale goederen koop je meer naarmate je inkomen
toeneemt. Inferieure goederen ga je minder van consumeren als je inkomen hoger wordt.)
Een neutraal goed daarentegen verandert niet in de vraag wanneer een inkomen stijgt.
- Voorkeuren, zoals groepsdruk of berichten van de omgeving, waardoor mensen anders gaan
consumeren.
- Prijzen van gerelateerde goederen. Substituten en complementen.
- Het aantal kopers, hoe meer mensen hoe meer er wordt geconsumeerd.
- De verwachting van toekomstige prijzen. Als de prijzen later stijgen, ga je nu meer kopen.

,Movement factors: factoren die een verschuiving langs de lijn veroorzaken.
Shift factors: factoren die een lijn naar rechts of naar links brengen.

Supply:
Law of supply: als de prijs stijgt, stijgt het aanbod. Als de prijs daalt, daalt het aanbod.
Als de prijzen stijgen, zal de aanbieder meer gaan produceren, want hij ziet winst. Als de aanbieder
meer gaat produceren, krijgt hij ook grotere opofferingskosten, de prijs stijgt. Hoe hoger de
productie, hoe hoger de kosten, hoe hij de prijzen. Hierdoor is de aanbodcurve een helling.
Supply shift:
- Prijzen van productiemiddelen, als ze dalen gaat de lijn naar links, als ze stijgen gaat de lijn
naar rechts.
- Technologie bij verbetering naar rechts.
- Prijzen van andere goederen, bijvoorbeeld: producenten switchen van product, omdat het
een meer oplevert dan het ander.
- Aantal aanbieders, bij een toename naar rechts.
- Verwachting van toekomstige prijzen. Als de prijzen gaan stijgen, dan komt er minder aanbod
De lijn gaat naar links.
- Belastingen en subsidies. Bij belasting gaat de lijn naar links. Bij subsidies bij rechts.
- Overheidsrestricties. Bijvoorbeeld een restrictie op buitenlandse goederen. Of strenge eisen
als je bepaalde service wil verlenen aan mensen, zoals een vergunning.
Aanbod of gevraagd aanbod: zelfde factoren als bij de vraag (voor vraag zie collegeblok)

Surplus (excess supply): als de aangeboden hoeveelheid groter is dan de vraag.
Shortage (excess demand): als de gevraagde hoeveelheid groter is dan het aanbod.
Equilibrium quantity: de hoeveelheid die overeenkomt met de evenwichtsprijs. Geen tekort geen
surplus.
Disequilibrium price: een prijs anders dan de evenwichtsprijs. Wel tekort of surplus.
Disequilibrium: er is surplus of tekort.
Equilibrium: ‘at rest’ er zijn geen tekorten of surplus, het snijpunt in de grafiek.
Bij surplus dalen de prijzen, omdat aanbieders niet al hun producten verkocht krijgen en daardoor
gaan ze krimpen in de productie en/of krimpen in de prijs.
Bij een tekort stijgen de prijzen, omdat mensen bereid zijn meer voor een goed te betalen om hun
behoefte te bevredigen. Producenten spelen hierop in en verhogen de prijs. Net zo lang tot dat die
weer het evenwicht heeft bereikt.

Minimum prijs: een prijs die de producent minstens krijgt, vaak hoger dan de evenwichtsprijs.
Maximum prijs: de prijs die een maximaal gevraagd mag worden, vaak onder de evenwichtsprijs.

Consumers surplus: de maximale prijs die een klant wil betalen - de prijs die hij betaald.
Producers surplus: de ontvangen prijs – de minimale verkoopprijs.
Total surplus: CS+PS
Surplus in grafiek + dedweightloss + taxes (zie collegeblok)

,De evenwicht prijs en – hoeveelheid kunnen worden veranderd door 8 mogelijkheden:
1 een stijgende vraag en een constant blijvend aanbod.
2 een dalende vraag en een constant blijvend aanbod.
3 een stijgend aanbod en een constant blijvende vraag.
4 een dalend aanbod en een constant blijvende vraag.
5 een stijgende vraag en een dalend aanbod.
6 een dalende vraag en een stijgend aanbod.
7 de vraag stijgt hard dan het aanbod daalt.
8 de vraag stijgt minder hard dan het aanbod daalt.
(zie ook grafieken blz 92)

Spontaneous order: de spontante en onbedoelde verschijning van orders (bestellingen) die wordt
veroorzaakt door een actie van de mens uit eigen belang. Een onbedoeld effect dat verschijnt door
een actie van de mens om zichzelf beter te maken.

hoofdstuk 4:
Prijs kan dienen als een rationing device(zie hoofdstuk 1).
Een rationing device kan echter discriminerend werken, bijvoorbeeld: geld, schoonheid, macht,
kracht, de eerste zijn, etc.
Prijs is ook een transmitter of informations. Het geeft informatie over de schaarste van het goed
door de hoeveelheid die je ervoor betaalt.
Price ceiling: een door de overheid opgelegde maximumprijs en daarboven mag niet worden
gehandeld.
- De prijs is onder de Pe en er ontstaan dus tekort.
- Minder uitruilen
- Als de maximumprijs doorgaat, worden niet alle goederen verdeeld dus er is een nonprice-
rationing device.
- Kopers en verkopers gaan ‘onder de tafel handelen’’ buiten de maximumprijs om.
- Tie-in sale: een verkoop waarbij een goed wordt gekocht , maar daar moet tegelijktijdig een
ander goed bij worden gekocht. Als een goed voor 8 euro verkocht MOET worden, verkopen
producenten er een ander product bij (dat de klant moet kopen) om zo hun verliezen op het
eerste product te compenseren.
Kopers willen misschien wel liever de marktprijs betalen dan de maximumprijs, omdat er dan geen
tekorten zijn.
Ook kan de maximumprijs ervoor zorgen dat het geld de juiste information niet transmit over het
goed en zijn schaarste, want de prijs verandert niet.
Price floor: een minimumprijs, boven de evenwichtsprijs.
- Surplus: de prijs is hoog, dus er is veel aanbod, maar minder vraag.
- Minder uitruilen
Hieronder mag geen handel plaatsvinden, zoals het minimumloon.
Maximum – en minimumprijzen veranderen het surplus (zie ook collegeblok).
Deadweight loss: het verlies voor de samenleving van het niet produceren van de goederen, waar
anders wel behoefte aan is.
Absloute price: de prijs van een goed uitgedrukt in geld.
Relative price: de prijs van een goed uitgedrukt in een ander goed.
Belasting zorgen ervoor dat producten relatief duurder worden en de andere dus relatief goedkoper,
vooral bij substituten kan dit een belangrijke rol spelen.

,Hoofdstuk 5:
Soms, bijvoorbeeld bij stoelen kan de marktprijs (waarbij alles bezet is), in theorie negatief zijn (zie
blz 124).
Als de overheid huizen goedkoper wil maken, kunnen ze de rente laten zaken en leningen zijn zo
beter te verkrijgen. Hierdoor stijgt echter ook de vraag naar huizen en dus de prijs. Men bereikt er
dus maar weinig mee.

Als de vraaglijn en de aanbodlijn even ver verschuiven, verandert de prijs niet.
Als de vraaglijn verder verschuift dan de aanbod lijn, wordt het goed duurder.
Als de aanbodlijn verder verschuift dan de vraaglijn, wordt het goed goedkoper.

Als er fluctuerende prijzen zijn, komen er mensen de markt binnen, omdat ze denken winst te
kunnen maken. Als een goed goedkoop is, dan koopt iedereen het en als het duur is verkoopt men
het weer. Maar als iedereen het koopt bij het goedkope punt zal daar de prijs stijgen en als iedereen
het weer verkoopt op het dure punt, daalt daar de prijs. Dus mensen zullen hun patroon van kopen
en verkopen gaan veranderen.

Bij medische zorg betaalt een derde partij (verzekering) en die betaal jij maandelijks. Soms gebruik je
meer dan het geld dat je betaald, soms minder.

Colleges en universities hebben soms een lage (ook soms een hele hoge) collegegelden. Als het laag
is gebruikt de universiteit een toelatingstest om zo toch het aantal leden terug te dringen, omdat het
collegegeld onder de evenwichtsprijs ligt en er dus tekorten in bijv. stoelen zijn.

Soms kan iets voor een lage prijs worden aangeboden, om daardoor winst te maken op het
complementeerde goed, dat wordt dan meer verkocht, bijv. in restaurants: eten is goedkoper en de
drank is erg duur.

Hoofdstuk 8:
Kopende kant van de economie: geaggregeerde vraag
Producerende kant van de economie: geaggregeerd aanbod (short-run: SRAS en long- run: LRAS).
Aggregate demand: de hoeveelheid gevraagde hoeveelheid van alle goederen en services (real GDP)
op verschillende prijsniveaus (ceteris paribus).
De AD curve gaat omlaag door drie redenen: real balance effect (verandering in prijs), interst rate
effect (verandering in prijs) en international trade effect (verandering in prijs).
Aggregate demand (AD) curve: de curve die de real GDP laat zien.
Real balance effect: de verandering van de koopkracht (in dollars uitgedrukte activa) die resulteert in
een verandering van het prijslevel. Laat zien dat de relatie tussen real GDP en prijs invers is: als de
prijs daalt, stijgt real GDP en andersom.
Monetary wealth: de waarde van de monetaire activa van een persoon. Wealth is: alle goederen,
zowel monetair als niet monetair die een persoon bezit. Dus een persoons wealth is: moneatry
wealth+ nonmoneatry wealth.
Purchasing power: de hoeveelheid goederen of services die voor een bepaalde bedrag kunnen
worden gekocht. De koopkract en de prijs zijn invers: als de prijs daalt, stijgt de koopkracht.

,Interest rate effect: de verandering het kopen van bedrijven en huishoudens als de rent verandert.
De prijs daalt, men houdt meer geld over en gaat dat sparen, door het toegenomen aanbod
(spaargeld), dus zal de rent dalen. De rente daalt, men gaat meer lenen en dus ook meer kopen.
Als de prijs daalt, gaan de rente dus omhoog (minder spaargeld), men gaat minder lenen en dus ook
minder kopen.

International trade effect: veranderingen in de uitgaven van de buitenlandse sector als de prijs
verandert.
Als de prijs in de VS daalt, worden die goederen relatief goedkoper, dus men zal die goederen meer
gaan kopen.
Hetzelfde geldt voor als de prijs stijgt.

Er kan een movement over de lijn zijn, hierbij veranderen de prijs en de Real GDP. Er kan ook een
shift zijn, hier hoeft de prijs niet te veranderen, maar de Real GDP verandert wel en de curve
beweegt geheel naar een ander punt.
Die shift kan gebeuren als de uitgaven bij eenzelfde prijs stijgen of dalen, dan verschuift de curve
naar dat punt.
Er worden 4 belangrijke groepen onderscheiden: C(consument), I(investeringen), G(government
aankopen) en NX (export – import).
Dus totale uitgaven: C+I+G+NX

De geaggregeerde curve verandert alleen als er meer of minder uitgaven zijn BIJ EEN GEGEVEN PRIJS.
Bij een veranderende prijs is er een movement, bij dezelfde prijs en een verschil in uitgaven is een
shift.

Hoe veranderen de C, I, G en NX:
Consumptie:
Vier factoren kunnen dit veranderen: wealth, expectations (toekomst over prijs en inkomen), interest
rate en inkomens belasting.
Voor uitleg veranderingen en gevolg op AD zie boek (spreekt voor zich).
Investeringen:
Drie factoren kunnen dit veranderen: interest rate, expectations future sales, business taxes.
Voor uitleg zie boek (spreekt voor zich).
Net exports:
2 factoren kunnen dit veranderen: foreign real national income en exchange rate.
1 als het nationale inkomen stijgt, stijgt de aankopen van goederen, meer export, dus meer NX
En omgekeerd.
2 exchange rate: de prijs van een valuta uitgedrukt in een ander valuta.
Appreciation: een verhoging in de waarde van een valuta ten opzichten van andere valuta’s.
Depreciation: een vermindering in de waarde van een valuta ten opzichten van een andere valuta’s.
Een munt deprecieert, meer export, minder import en dus een stijging van NX.
Een munt apprecieert, minder export, meer import en dus een daling van NX.

Een verandering in de geldvoorraad verandert de AD indirect. De geldvoorraad verandert de C en de I
en die hebben weer invloed op de AD.

, Velocity: het gemiddelde aantal keren dat een dollar wordt uitgegeven (door andere, dus van hand
verwisselt) om goederen of servies te kopen in 1 jaar.
De totale uitgaven kunnen dus groter zijn dan de geldvoorraad.
Als zowel de geldvoorraad als de velocity constant blijven en er stijgt 1 component, dan daalt een
andere (of meerdere)
Als zowel de geldvoorraad als de velocity stijgt, dan kan een toename van 1 component voorkomen,
zonder dat een andere (of meerdere daalt).

Aggregate supply: de hoeveelheid van alle goederen en services (real GDP) die worden aangeboden
bij verschillende prijsniveaus.
Short-run aggregate supply curve (SRAS): een curve die de aangeboden hoeveelheid goederen en
services laten zien bij verschillende prijzen. De curve is oplopend, omdat als de prijs stijgt bedrijven
meer gaan aanbieden, omdat ze dan meer winst kunnen maken.
Nog 2 factoren:
Sticky wages:
Lonen zijn inflexibel en vastgelegd in contracten voor 1 jaar of zelfs meerdere, of omdat een bepaald
loon als eerlijk en terecht wordt gezien.
Bedrijven betalen uit in nominaal loon. Hoewel bedrijven vaak kijken naar the real wage.
Real wage= nominaal wage : price level.
De hoeveelheid aangeboden arbeid hangt direct samen met de real wage. Als real wage daalt, daalt
de aangeboden hoeveelheid ook en andersom.
Bij de gevraagde hoeveelheid is het juist invers, een daling in het loon, veroorzaakt een stijging in de
gevraagde arbeid.
Worker misperceptions:
Sommige werkers hebben soms mispercepties over het real wages. Als de prijs daalt en het nominale
ook, blijft het real wages hetzelfde, maar ze zien alleen de daling van hun nominale loon. Ze weten
niet hoeveel de prijs is gedaald. Omdat ze denken dat ze minder verdienen, gaan ze minder werken
en daardoor gaan producenten ook minder produceren.

Op een gegeven moment komen werkers hierachter en lonen zijn niet voor altijd sticky. Dus dit geldt
alleen voor de SHORT-RUN. Dus deze zijn alleen relevant op de korte termijn.

Een verandering in de prijs zorgt voor movement over de curve (sticky wages en prices, worker en
producer misperceptions).
Maar een shift wordt veroorzaakt door: wage rates, prices on nonlabor inputs, productivity en supply
shock.
Wages rates:
Hoe hoger de kosten van het loon, hoe minder winst voor ondernemingen, hoe minder ze zullen
aanbieden.
Prices of nonlabor inputs:
Andere inputs in het arbeidsproces naast arbeiderswerk. Veranderingen in de kosten hiervan
veranderen de aangeboden hoeveelheid, hoge kosten= minder aanbod.
Productivity:
De output die wordt geproduceerd in vergelijking met de input over een bepaald tijdsbestek.
Hogere productiviteit zorgt voor meer output met dezelfde input, dus meer aanbod.
Supply shocks:

Geschreven voor

Instelling
Studie
Vak

Documentinformatie

Geüpload op
23 juni 2016
Aantal pagina's
11
Geschreven in
2015/2016
Type
SAMENVATTING

Onderwerpen

$4.17
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF


Ook beschikbaar in voordeelbundel

Beoordelingen van geverifieerde kopers

Alle reviews worden weergegeven
9 jaar geleden

4.0

1 beoordelingen

5
0
4
1
3
0
2
0
1
0
Betrouwbare reviews op Stuvia

Alle beoordelingen zijn geschreven door echte Stuvia-gebruikers na geverifieerde aankopen.

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
thomas_zz Radboud Universiteit Nijmegen
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
1624
Lid sinds
10 jaar
Aantal volgers
856
Documenten
137
Laatst verkocht
3 maanden geleden

3.7

124 beoordelingen

5
21
4
59
3
34
2
2
1
8

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen