Hoofdstuk 1:
Een economisch probleem wordt geïdentificeerd als er behoeftes worden bevredigd met schaarse
middelen. Men kan ook zeggen: het probleem om de schaarse middelen het best in te zetten.
Dus de optimale allocatie het goederen: hoe verdeel je de goederen het best, en als dat het geval is,
dan spreekt men van efficiëntie.
The division of labor
Adam Smith toonde aan dat de productiviteit verhoogde als je werkers opsplits en ze elk een eigen
taak laat doen.
Division of labor: het splitsen of samenstellen van taken en daar verschillende werkers aan laten
werken, los van elkaar.
Specialization
Economies of specialization: elke of een paar werknemers richten zich op één of een paar taken. Zij
raken hierin bedreven en zijn dus gespecialiseerd in het doen van dat ene ding. Gespecialiseerde
bedrijven zijn dus efficiënter dat niet gespecialiseerde, omdat ze meer productiviteit hebben.
Voor het individu houdt specialisatie in dat hij beter kan presteren, maar hij heeft maar beperkte
keuze. De specialisatie is succesvol als de tevredenheid van de werknemers groter is dat de
ontevredenheid door ‘nauwe ruimte’ (figuurlijk) waar hij in werkt en zijn skills zo niet optimaal
verbeteren.
Coordination:
Exchange: het uitruilen van goederen als er ook recht van gebruik is.
Exchange is goed voor beide partijen.
Transaction: als er een uitruil plaats vindt is er sprake van een transactie. Door specialisatie moeten
er wel transacties plaatsvinden, omdat anders niet iedereen in zijn behoeftes kan voorzien.
Coordination: hoe vinden aanbieder en verkoper elkaar om de schaarse goederen en diensten uit te
wisselen.
Zie ook figuur 3.1
Markets and organizations
Bij sommige markten is het het prijssysteem (de prijs) die zorgt voor de verdeling van de schaarse
middelen.
Sufficient statistic: ze hoeft de andere partij niet te zien, de prijs bevat alle informatie die nodig is
voor de transactie.
In een equilibrium is er een optimale verdeling van de goederen.
Bij het gebruiken van de prijs als verdelingssysteem, zijn er een aantal kosten aan verbonden.
1 er zijn altijd kosten die komen bij het vinden van de relevante prijs.
2 er moet een contract worden opgesteld, en een contract kost iets.
3 soms zijn er omstandigheden waar een contract niet te maken is, hier kunnen organisaties een
helpende hand bieden.
In Coase’s inzicht is het verdelingsmechanisme in organisaties eerder macht en autoriteit.
Coase zei ook dat transacties altijd op de laagste kosten worden gemaakt (transactie kosten) en dat
de transacties zo schuiven van markt naar organisatie.
Het verschil tussen organisatie en markt zijn 2 extreme types.
,Ideal market: prijzen zijn sufficient statistics voor het individu.
Ideal organisations: alle vormen van coördinatie waarbij de prijs niet wordt gebruikt als informatie
overdracht.
Zie ook figuur 1.4
Information
Het coördinatiemechanisme is afhankelijk van de informatie die er beschikbaar is, daarom zie figuur
1.5. Er zijn veel gevallen waar de prijs een beetje of helemaal niet kan dienen als informatie
overdrager. dus organisaties zijn oplossing voor informatieproblemen.
The environment and institutions
De omgeving waar transacties tussen markten en organisaties wordt gemaakt: the environment.
Organisaties werken niet in een vacuüm, maar in een interactieve omgeving die:
- Levert omstandigheden voor het maken van nieuwe organisaties.
- Vormt alle organisaties door: milieu, politiek, economie, sociaal, etc.
- Is het ultieme selectiemechanisme om te bepalen welke organisaties sterk genoeg zijn er
welke niet.
Ook markten worden gevormd door de omgeving.
Ook is er invloed van andere in de markt, zoals vakbonden of zelfs andere organisaties.
Ook zijn markten beïnvloed door cultuur en het sociale leven of technologie ontwikkelingen.
Markten werken in een omgeving die:
- Omstandigheden levert waardoor nieuwe markten kunnen ontstaan.
- Vormt alle markten door verschillende factoren: economie, politiek, cultuur, sociaal.
- Het ultieme selectiemechanisme om te bepalen welke markten sterk genoeg zijn om te
blijven bestaan.
Economen besteden veel aandacht aan instituties: de regels in de maatschappij.
Formele regels: wetten (gescheven)
Informele regels: waarden, normen, etc.
Vroeger waren transacties gebaseerd op persoonlijke kennis, hoe meer kennis iemand had, hoe
beter hij kon handelen, maar die kennis moest wel eerst verworven worden.
Impersonal exchange: hier hebben partijen geen kennis van elkaar. Impersonale ruil bestaat niet als
er geen goede wetten en regels zijn opgebouwd, omdat valsspelen dat niet erg is.
Markten laten sommige gebruikers met heel weinig middelen. Er zijn dan overheden die deze
marktfalen kunnen oplossen. Er is altijd discussie over hoe veel de overheid moet ingrijpen.
Naast de overheid zijn er nog tal van factoren die de omgeving beïnvloeden: NGO’s, de wetten,
consumentenbonden, etc.
Zie figuur 1.7.
,Hoofdstuk 2:
Process of market interaction: de hoeveelheid en prijs van goederen wordt bepaald door de vraag
en aanbod naar dat goed.
In markten met veel concurrentie wordt de prijs hierdoor bepaald en niet door het individu.
Market interaction: analysis of demand and supply
De vraag naar een product hangt af van de prijs.
Law of demand: de vraag gaat omhoog als de prijs daalt.
Law of supply: als de prijs stijgt, stijgt het aanbod, aanbieders kunnen met een hogere prijs meer
winst maken.
Market equilibrium: wanner de vraag en aanbod curve elkaar snijden. Daar ontstaat een
evenwichtsprijs en een evenwichtsaanbod.
The theory of demand
De keuze van goederen van consument is transitief: heeft invloed op elkaar als er 3 manden zijn en
de persoon kiest mand 1, hij vindt 1 beter dan 2, maar 2 beter dan 3. Dus hij vindt 1 ook beter dan 3.
Indifference curve: zie figuur 2.5, het laat de behoeftes van de consument zien.
Utility: de tevredenheid die mensen krijgen bij het gebruik van een goed.
De indiffernce curve laat dus de utility zien bij een keuze tussen bepaalde producten.
Budget line: lijn die aangeeft wat de klant kan kopen met zijn geld zie figuur 2.6.
Hoe dichter een indiffernce line bij de budget line ligt, hoe meer tevredenheid de klant heeft van zijn
budget, dus die zal hij kiezen. Als de lijn er ver onder ligt, dan voorziet hij niet in zijn behoeftes, als de
lijn erboven ligt, is het voor hem onmogelijk.
The theory of production:
Objective function: dit beschrijft de doelen van het bedrijf. Dit kan alleen worden gesteld binnen de
beperking van de productie van het bedrijf.
Production function: beschrijft de relatie tussen de combinatie van input en de output die daarbij
uitkomt.
Q= Q(K,L,M).
Q= kwantiteit geproduceerd (en verkocht)
K= hoeveelheid kapitaal (machines, etc.)
L= hoeveelheid labour.
M= ruwe materialen gebruikt.
In de short-run kunnen alleen enkele inputs worden veranderd, in de long-run kunnen alle inputs
worden veranderd.
M kan snel worden veranderd, dus short-run, voor K duurt dat langer, dus long-run en L valt ergens
in het midden.
2 soorten inputs:
- Degene die kunnen veranderen in de short en de long-run.
- Degene die alleen kunnen veranderen in de long-run.
De curves die in figuur 2.7 zijn geven die combinaties tussen K en L aan, deze curves heten isoquants.
,Profit maximization in competitive markets
De winstgevendheid van een bedrijf hangt o.a. af van of hij de prijs kan bepalen. In een
concurrerende markt met veel kopers en verkopers en vrije toegang is dat niet het geval.
Profit: inkomsten minus kosten.
Voor formules en tekens: zie boek. Bladzijde 35, 36, 37 en 38.
In de short-run K staat vast.
Bij het kiezen voor een L (als K vast staat) Q= Q(K,L).
Marginal productivity of labour: zie figuur 2.9. dit geeft aan als er een werknemer wordt toegevoegd
wat zijn productiviteit is.
Met de formule op blz 36 kun je de marginale arbeidersproductiviteit berekenen.
- In de short-run kan de organisatie kiezen hoeveel labour hij gebruikt. Als Q en L zijn
vastgesteld, heeft de organisatie daar geen vrijheid meer in.
Dus ze kiezen hoeveel ze produceren, maar niet op welke manier. Dus maximaliseren van
W:P
- In the long-run kan een bedrijf beslissen hoe en hoeveel ze produceren. Ze kunnen zowel K
als L bepalen. Dus maximaliseren van C:P en W:P.
Market coordiantion
Als de prijzen in de short-run stijgen, dan zal er meer geproduceerd worden: L zal stijgen, dus een
verschuiving over de lijn. Als de prijzen in de long-run ook hoog blijven, zal de producent ook K
veranderen en dan is er een verschuiving van de lijn.
The paradox of profits
In een concurrerende markt kan een onderneming in de long-run geen winst maken.
Normal profit: de winst die een organisatie moet maken om in leven te blijven.
Excess profit: de winst boven de normale winst.
In een concurrerende markt wordt er geen excess profit gemaakt. Als er in een markt winst wordt
gemaakt, dan komen er meer toetreders, het aanbod stijgt, de prijs daalt en de winsten dalen. Dus
iedereen probeert in de short-run winst te behalen, maar in de long-run maakt niemand winst.
Comments on standard microeconomic theory
Pareto-optimal allocation of resources: een verdeling van de middelen waarbij het voor niemand
voordelig is om zijn allocatie van middelen te veranderen, zonder dat iemand er slechter vanaf komt.
Dit betekent niet dat iedereen tevreden is in dezelfde mate. Het betekent gewoon: er is geen andere
punt waar als iemand verandert en er beter van wordt, dan iemand tegelijkertijd slechter ervan
wordt.
,Perfect competition: een markt vorm met de volgende kenmerken:
- Een goed aantal kopers en verkopers, individuele prijsveranderingen hebben dus geen
invloed op de marktprijs.
- Er is vrije toegang en vrije uitgang voor bedrijven. Er zijn geen barrières.
- Alle producten zijn homogeen, het maakt de koper niet uit of hij A of B heeft.
Hieronder volgende 5 basisassumpties die bij elk model passen in de micro-economie.
- Bedrijven worden gezien als holistic entities: het bedrijf wordt gezien als 1 verenigd geheel.
Iedereen wil in zijn werk hetzelfde bereiken, bijvoorbeeld winstmaximalisatie.
- Bedrijven worden gezien als single objective: het bedrijf heeft 1 doel, vaak is dit
winstmaximalisatie of het verhogen van het marktaandeel. Als een bedrijf 2 doelen heeft kan
daar volgens de micro-economie op 2 manieren mee worden omgaan. Doel 1 is belangrijk en
doel 2 wordt maar gedeeltelijk uitgevoerd of andersom.
- Er is perfect information: iedereen weet alles van elkaar (wat relevant is voor het maken van
beslissing over kopen, verkopen, de kwaliteit en de prijs).
- Er is maximizing behaviour: iedereen wil het maximale, klanten willen maximale bevrediging
en producten willen maximale winst. Dit houdt in dat iedereen rationeel is. Een ander is dat
producenten alle alternatieven kennen en het beste eruit kiezen.
- Markets function in isolation: de markt is in isolatie zonder inbreng van de omgeving.
Economic man and his further development
Consumenten wegen goederen af en hebben voorkeuren en willen maximale bevrediging. Producten
kunnen ook keuzes afwegen en willen maximale winst.
We vinden zo een inzicht in besluitvorming dat heet: homo economicus.
Dit is rationeel en met maximizing behaviour. Hij heeft alleen belang bij zichzelf en hij beschikt over
perfecte informatie.
Hoe wie hiertegen aan moeten kijken is de volgende vraag? Dit kan op de manier van:
Simplifying assumptions: dit staat ons toe om modellen te maken die bruikbaar zijn om bepaalde
economische uitkomsten te voorspellen.
Hier moeten we niet kijken naar hoe realistische de assumpties zijn, maar naar hun voorspellende
waarde. Hier is de homo economicus uiting van zo’n simplifying assumption.
Behavioural economic: gebaseerd op meer realistische en empirische assumpties over de menselijk
besluitvormig.
,Hoofdstuk 3
Coase besloot markten en organisaties als coördinatiemechanisme te gebruiken. In organisaties
autoriteit zorgde voor de verdeling van middelen.
Er zijn echter ook andere alternatieven om de middelen te verdelen,
Mintzberg heeft een aantal organisatie configuraties bedacht: welke eigenschappen van organisaties
passen het best bij hun milieu en welke structuur kan de organisatie dan gebruiken.
Er zijn 6 mechanismen: zie ook figuur 3.1
- Mutual adjustment: informele communicatie tussen verschillende werknemers.
- Direct supervision: iemand geeft orders en instructies aan andere wat ze moeten doen.
- Standaardisatie van werkprocessen: het standaard maken van werkprocessen, hoe het werk
moet verlopen. Dit gebeurt bijvoorbeeld in bij technostructuur, degene die de organisatie
voorzien van planning en het werk controleren.
- Standaardisatie van output: de resultaten moeten hetzelfde zijn, hoe je er komt maakt niet
uit. Als het resultaat maar goed is.
- Standaardisatie van skills en kennis: mensen worden getraind om het juiste niveau te
behalen.
- Standaardisatie van normen: de normen bepalen het werk. Vaak voor de gehele
onderneming, zodat iedereen hetzelfde gelooft.
De zes mechanismen hierboven zijn manieren waarop coördinatie kan plaatsvinden in organisaties.
Alleen in kleine organisaties kan autoriteit worden gebruikt als mechanisme.
In organisaties kunnen ook meerdere mechanismen zijn om te communiceren, maar er is er altijd wel
1 die domineert.
Types of organization:
Bij elk mechanisme past een configuratie van een bepaalde organisatie: zie ook figuur 3.2.
- Direct supervision=entrepreneurial organization, dit is een organisatie waar de ondernemer
bepaalt waar de middelen naartoe gaan. De organisatie is simpel, dus de ondernemer kan
alles nog overzien. Het is flexibel en informeel en kan zich goed aanpassen.
- Standaardisatie van werkprocessen= machine organisatie, de processen zijn
gestandaardiseerd en alles wordt op die manier uitgevoerd.
- Standaardisatie van skills: professionele organisatie, vaak een oudere organisatie waar kennis
belangrijk is. En de mensen goed getraind moeten zijn in wat ze doen.
- Standaardisatie van output= diversified organisatie, de divisies zijn redelijk autonoom en
maken elk een ander product of een gedeelte daarvan. Het gaat om de resultaten. Vaak
opereren deze bedrijven ook op meerdere markten.
- Mutual adjustment= de werknemers overleggen met elkaar, vaak ook op een informele
manier. Vaak ook in kleinere organisaties. Een innovative organisation.
- Standaardisatie van normen= missionary organisation, er is een sterke drang naar de missie
en het doel. Er is een bepaalde cultuur binnen het bedrijf en iedereen moet daar hetzelfde
over denken.
Zie ook figuur 3.3
,Organizational markets:
Markt en organisatie coördinatie kan soms ook gecombineerd zijn. Divisies in grote bedrijven kunnen
ook goederen uitwisselen via een marktprincipe. Er is dan sprake van een internal market for goods.
Shell bijvoorbeeld heeft ook een internal capital market, hier geeft de leiding middelen aan
verschillende divisies gebaseerd op verschillende criteria.
Er kan ook sprake zijn van een internal labour market waar divisies strijden voor de beste
medewerkers en ook tegen elkaar opbieden.
Er is dus geen scherpe scheiden tussen markt en organisatie.
Organized markets:
Er is eigenlijk geen markt te vinden, die compleet een markt is. Ook de beursmarkt niet, daar zijn ook
bepaalde reguleringen en wetten en zijn dus niet ‘echt’ 100% een markt.
Collusion: een vorm van mutual adjustment die niet helemaal eerlijk is, bijvoorbeeld leveranciers die
gaan samenwerken om de prijzen hoog te houden voor bedrijven.
Collusion kan openlijk zijn, maar er kan ook over worden gezwegen: tacit collusion.
Hoofdstuk 4:
Price-taker: je moet de prijs accepteren en hebt er zelf geen invloed op, bijvoorbeeld bij volledige
concurrentie.
Een andere assumptie van volledige concurrentie is homogene goederen.
De prijs is niet altijd het juiste mechanisme voor informatie. Als de goederen niet homogeen zijn
bijvoorbeeld. Of ze zijn niet van de beloofde kwaliteit of je kunt ze niet goed zien, etc.
Ook merknamen kunnen invloed hebben op het koopgedrag.
Vaak is er ook onzekerheid over de prijs voor zowel de leverancier als de onderneming, omdat
bijvoorbeeld de fruitoogst volgend jaar anders kan zijn.
Markten kunnen wel dealen met enige onzekerheid, bijvoorbeeld door het sluiten van contracten is
er een belofte tussen leverancier en onderneming over de prijs en hoeveelheid.
Contingent claims contract: de overeenkomsten zijn afhankelijk van bijvoorbeeld de kwaliteit van
het product en aan de hand daarvan wordt een prijs betaald. Dit kan alleen als de kwaliteit van het
product ook echt vast te stellen is en er onzekerheid in het spel is.
Als ondernemingen alle toevalligheden kunnen overbruggen, kan er een compleet contract worden
afgesloten. In de realiteit is er echter vaak sprake van een incomplete contract als er onzekerheid is.
Redenen voor een incompleet contract zijn:
- Het is vaak moeilijk om een plan te maken dat rekening houdt met alle toevalligheden.
- Het kan duur zijn om een compleet contract af te sluiten en daarover te onderhandelen.
- Taalproblemen kunnen in het spel zijn waardoor er ambiguïteit ontstaat over de situatie en
er geen compleet contract kan worden afgesloten.
Markten kunnen niet extreem veel onzekerheden aan, omdat mensen dat niet kunnen.
Een oplossing kan zijn: verticale integratie. De verkoper wordt zijn eigen leverancier.
Er is informatie beschikbaar, maar die is niet even verdeeld, er is sprake van asymmetrische
informatie: iemand anders heeft meer kennis over het product dan de ander, vaak met koper en
verkoper.
Fundamental paradox of information: de waarde van de informatie kan alleen worden gerealiseerd
als je de informatie aan de andere partij geeft, maar dan heeft die informatie plots geen waarde
meer.
Asymmetrische informatie kan opportunistisch gedrag veroorzaken (strategic behaviour).
Markten en prijzen kunnen een bepaalde informatie geven, maar lang niet alle benodigde informatie.
, Hidden information
Hidden information wordt ook wel adverse selection genoemdn. Ook wordt er gekeken naar hidden
action of moral hazard.
Adverse selection: bij vooral verzekeringen die een gemiddelde prijs vragen. Degene met lage risico’s
zullen niet komen, die zijn goedkoper uit zonder polis. Zo blijf je over met de hoge risico’s waar jouw
prijs wel aantrekkelijk voor is. Dus je moet de prijs verhogen, zo wordt het voor nog meer mensen
niet winstgevend en die gaan ook weg. Dus je moet weer de prijs verhogen en zo maar door tot dat
je alleen de allerhoogste risico’s hebt die overblijven.
De basis van dit fenomeen is hidden information: dit betekent dat één partij bij de transactie beter is
geïnformeerd dan de ander. Als dit probleem er al is voordat het contract spreekt men van ex ante
information problem.
Er is private information die voor 1 partij niet bekent is en die onobserveerbaarheid zorgt voor het
informatieprobleem.
Ook bij tweede hands auto’s is dat zo. Kopers willen een lagere prijs, omdat ze niet zeker zijn van de
kwaliteit. De goede auto’s verdwijnen dus en de slechte auto’s die blijven bij de prijs op de markt.
Dus staat bekent als het lemon effect.
Er zijn wel oplossing die het probleem (deels) oplossing. De onobserveerbare informatie
observeerbaar maken, bij verzekeringen bijvoorbeeld door een test.
Bij auto’s een inspectie van de auto door een monteur.
Signalling: als de hidden information niet direct zichtbaar wordt, dan moet het maar indirect via een
bepaald signaal of teken, zoals een test of een diploma.
Ook kan garantie een oplossing bieden, zo blijven de risico’s een nog een tijdje bij de verkoper.
Ook kunnen verzekering de polis spreiden, dus een deel is verplicht voor de gehele bevolking, een
ander deel is op vrijwillige basis.
Voor bepaalde problemen heeft de markt een oplossing, zoals marktsegmentatie, voor de andere
problemen is er geen oplossing en daar moet de mens zelf mee komen.
Hidden action
Hidden action/moral hazard: dit is ook een vorm van asymmetrische informatie, maar hij is niet ex
ante (ervoor), maar nadat de transactie is gemaakt. Als ze niet observeerbaar zijn en de andere partij
schade toebrengen, dan kan de transactie alsnog mislukken. (anticiperen).
Bijvoorbeeld bij een brandverzekering, als mensen die hebben zullen ze minder goed gaan letten op
dingen die hun huis kunnen affikken, omdat ze toch verzekerd zijn. Voor de verzekering is het niet te
zien of de schaden echt is veroorzaakt door overmacht of door onoplettendheid.
Er worden door reisverzekeringen bijvoorbeeld wel databases gemaakt waarin mensen staan die heel
veel claimen en die kunne dan geweigerd worden.
Er zijn 2 oplossing: het probleem meer observeerbaar maken of het risico spreiden
Er kan dus een variabel loon worden betaald, waardoor de risico’s naar de werker gaan.