Bijeenkomst 5
De rechter en het verdragsrecht
De HR staat op het standpunt dat het uiteindelijk aan de rechter is om uit te maken of
een verdragsbepaling rechtstreeks werkt. Het stakingen-NS-arrest besliste dat artikel
6 lid 4 ESH (europees sociaal handvest), inzake het stakingsrecht van werknemers,
rechtstreeks voor de rechter kon worden ingeroepen; de regering had bij de
goedkeuring van het ESH nog op een ander standpunt gestaan. Wel kan de rechter bij de
beantwoording van de vraag of een bepaling rechtstreeks werkt, rekening houden met
het standpunt van regering en parlement ter zake zoals dit uit de parlementaire stukken
van de goedkeuringswet naar voren kan zijn gekomen.
De jurisprudentie hanteert een tweetal maatstaven om uit te maken of een
verdragsbepaling naar haar inhoud een ieder verbindt:
Soms wordt eenvoudigweg gelet op de formulering van de bepaling: kent deze
met zoveel worden een recht toe aan het individuele rechtssubject?
Het spiegelbeeld hiervan ontstaat wanneer de bepaling zich in haar formulering
richt tot een overheidsorgaan, maar toch zonder verder optreden van dat orgaan
effectief kan zijn. Dat doet zich voor als de verdragsbepaling een
onvoorwaardelijk en nauwkeurig omschreven verbod oplegt aan een
overheidsorgaan; daarmee correspondeert dan een recht dat de burger voor de
rechter geldend kan maken.
Ten aanzien van het EVRM en het IVBPR worden de bepalingen door de nederladnse
rechter rechtstreeks toegepast, met uitzondering van artikel 13; daarbij gaat de rechter
ervan uit dat het daarin besloten liggende recht geëffectueerd moet worden door de
wetgever, waarbij het niet aangaat dat de rechter zelf rechtsmiddelen in het leven roept,
in het geval er geen daadwerkelijke rechtsmiddel bestaat.
Bij het ESH en het IVESCR is de algemene lijn dat, met uitzondering van artikel 6 lid 4 er
niet sprake is van een ieder verbindende bepalingen. De gedachte daarachter is dat de
rechter van oordeel is dat het ESH en het IVESCR zich primair tot de wetgever richten en
slechts door die wetgever kunnen worden geïmplementeerd.
Van het toetsingsrecht van artikel 94 GW maakte de rechter aanvankelijk slechts een
bescheiden gebruik. Een beroep voor de rechter op bepalingen als artikel 9 en 10 EVRM
faalde vaak, omdat de rechter de rechten en vrijheden die deze bepalingen waarborgen
eng placht uit te leggen, terwijl de uitzonderingen die daarin worden geformuleerd
(artikel 9 lid 2 en 10 lid 2) juist ruim werden opgevat. Na de jaren zestig van de overige
eeuw begon de rechtspraak geleidelijk te veranderen; die ontwikkeling verliep in
versneld in de jaren tachtig, toen de rechter een ruim gebruik te maken van het
toetsingsrecht dat artikel 94 GW hem verschaft. Zo hanteerde de HR 8 EVRM, waarin
bescherming wordt geboden aan het privé-en gezinsleven, om tot vergrijpende
beslissingen te komen met betrekking tot BW-bepalingen inzake het personen-en
familierecht.
Van belang is verder artikel 6 EVRM dat het procesrecht zeer beïnvloedt: de daarin
besloten liggende rechten aangaande een eerlijk proces, binnen redelijke termijn,
waarbij de gelijkheid van procespartijen dient te worden gewaarborgd, hebben geleid
tot vele rechterlijke uitspraken. Ook kan hier gewezen worden op het, aan artikel 26
IVBPR, ontleende gelijkheidsbeginsel. Onder de invloed daarvan is een omvangrijke
De rechter en het verdragsrecht
De HR staat op het standpunt dat het uiteindelijk aan de rechter is om uit te maken of
een verdragsbepaling rechtstreeks werkt. Het stakingen-NS-arrest besliste dat artikel
6 lid 4 ESH (europees sociaal handvest), inzake het stakingsrecht van werknemers,
rechtstreeks voor de rechter kon worden ingeroepen; de regering had bij de
goedkeuring van het ESH nog op een ander standpunt gestaan. Wel kan de rechter bij de
beantwoording van de vraag of een bepaling rechtstreeks werkt, rekening houden met
het standpunt van regering en parlement ter zake zoals dit uit de parlementaire stukken
van de goedkeuringswet naar voren kan zijn gekomen.
De jurisprudentie hanteert een tweetal maatstaven om uit te maken of een
verdragsbepaling naar haar inhoud een ieder verbindt:
Soms wordt eenvoudigweg gelet op de formulering van de bepaling: kent deze
met zoveel worden een recht toe aan het individuele rechtssubject?
Het spiegelbeeld hiervan ontstaat wanneer de bepaling zich in haar formulering
richt tot een overheidsorgaan, maar toch zonder verder optreden van dat orgaan
effectief kan zijn. Dat doet zich voor als de verdragsbepaling een
onvoorwaardelijk en nauwkeurig omschreven verbod oplegt aan een
overheidsorgaan; daarmee correspondeert dan een recht dat de burger voor de
rechter geldend kan maken.
Ten aanzien van het EVRM en het IVBPR worden de bepalingen door de nederladnse
rechter rechtstreeks toegepast, met uitzondering van artikel 13; daarbij gaat de rechter
ervan uit dat het daarin besloten liggende recht geëffectueerd moet worden door de
wetgever, waarbij het niet aangaat dat de rechter zelf rechtsmiddelen in het leven roept,
in het geval er geen daadwerkelijke rechtsmiddel bestaat.
Bij het ESH en het IVESCR is de algemene lijn dat, met uitzondering van artikel 6 lid 4 er
niet sprake is van een ieder verbindende bepalingen. De gedachte daarachter is dat de
rechter van oordeel is dat het ESH en het IVESCR zich primair tot de wetgever richten en
slechts door die wetgever kunnen worden geïmplementeerd.
Van het toetsingsrecht van artikel 94 GW maakte de rechter aanvankelijk slechts een
bescheiden gebruik. Een beroep voor de rechter op bepalingen als artikel 9 en 10 EVRM
faalde vaak, omdat de rechter de rechten en vrijheden die deze bepalingen waarborgen
eng placht uit te leggen, terwijl de uitzonderingen die daarin worden geformuleerd
(artikel 9 lid 2 en 10 lid 2) juist ruim werden opgevat. Na de jaren zestig van de overige
eeuw begon de rechtspraak geleidelijk te veranderen; die ontwikkeling verliep in
versneld in de jaren tachtig, toen de rechter een ruim gebruik te maken van het
toetsingsrecht dat artikel 94 GW hem verschaft. Zo hanteerde de HR 8 EVRM, waarin
bescherming wordt geboden aan het privé-en gezinsleven, om tot vergrijpende
beslissingen te komen met betrekking tot BW-bepalingen inzake het personen-en
familierecht.
Van belang is verder artikel 6 EVRM dat het procesrecht zeer beïnvloedt: de daarin
besloten liggende rechten aangaande een eerlijk proces, binnen redelijke termijn,
waarbij de gelijkheid van procespartijen dient te worden gewaarborgd, hebben geleid
tot vele rechterlijke uitspraken. Ook kan hier gewezen worden op het, aan artikel 26
IVBPR, ontleende gelijkheidsbeginsel. Onder de invloed daarvan is een omvangrijke