Aardrijkskunde Blok 3
Klimaten en klimaatzones:
Het weer = de toestand van de atmosfeer op een bepaalde plek, op een bepaald moment.
Het weer is veranderlijk. Er spelen 3 elementen een rol:
- neerslag
- temperatuur
- wind (kracht/richting)
Het klimaat = het gemiddelde weer gemeten over een langere periode.
Dan krijg je bepaalde constanten = vaststaande waardes.
Er zijn 5 factoren die het klimaat bepalen:
-de invalshoek van de zonnestralen op aarde = breedteligging
-de ligging van de continenten, er is meer land op het Noordelijk halfrond en meer zee op
het Zuidelijk halfrond:
* land warmt eerder op en koelt eerder af.
* Hoe verder van zee, hoe droger dat het wordt.
-luchtstromen
-ligging van hooggebergtes
De invalshoek van de zonnestralen op de aarde:
De kracht van de zon neemt af doordat hij een langer weg af moet
leggen door de atmosfeer. Rond de evenaar is sprake van een
loodrechte zonnestand, daar hoeven de zonnestralen maar een kleiner
oppervlakte te verwarmen en is het daar dus warm. Bij ons is er geen
sprake van een loodrechte zonnestand en zullen dus hetzelfde aantal
zonnestralen een groter oppervlakte moeten verwarmen en is het hier
dus kouder.
Luchtstromen
Lucht heeft gewicht:
-Hoge druk = een gebied waar veel lucht op de aarde drukt
-Lage druk = een gebied waar weinig lucht op de aarde drukt
-Iets dat warm wordt zet uit en/of stijgt.
-iets dat koud wordt krimpt en/of zakt.
Lucht stroomt altijd van gebieden met hoge druk naar gebieden met lage druk.
\
Klimaten en klimaatzones:
Het weer = de toestand van de atmosfeer op een bepaalde plek, op een bepaald moment.
Het weer is veranderlijk. Er spelen 3 elementen een rol:
- neerslag
- temperatuur
- wind (kracht/richting)
Het klimaat = het gemiddelde weer gemeten over een langere periode.
Dan krijg je bepaalde constanten = vaststaande waardes.
Er zijn 5 factoren die het klimaat bepalen:
-de invalshoek van de zonnestralen op aarde = breedteligging
-de ligging van de continenten, er is meer land op het Noordelijk halfrond en meer zee op
het Zuidelijk halfrond:
* land warmt eerder op en koelt eerder af.
* Hoe verder van zee, hoe droger dat het wordt.
-luchtstromen
-ligging van hooggebergtes
De invalshoek van de zonnestralen op de aarde:
De kracht van de zon neemt af doordat hij een langer weg af moet
leggen door de atmosfeer. Rond de evenaar is sprake van een
loodrechte zonnestand, daar hoeven de zonnestralen maar een kleiner
oppervlakte te verwarmen en is het daar dus warm. Bij ons is er geen
sprake van een loodrechte zonnestand en zullen dus hetzelfde aantal
zonnestralen een groter oppervlakte moeten verwarmen en is het hier
dus kouder.
Luchtstromen
Lucht heeft gewicht:
-Hoge druk = een gebied waar veel lucht op de aarde drukt
-Lage druk = een gebied waar weinig lucht op de aarde drukt
-Iets dat warm wordt zet uit en/of stijgt.
-iets dat koud wordt krimpt en/of zakt.
Lucht stroomt altijd van gebieden met hoge druk naar gebieden met lage druk.
\