Didactiek
Het leren van de breuken start in groep 6.
Je hebt verschillende soorten breuken:
- Onbenoemde breuk = iets waar je je niks bij kunt voorstellen, bijvoorbeeld 13 (kale som)
- Benoemde breuk = iets waar je je iets bij kunt voorstellen, bijvoorbeeld 14 pizza
- Samengesteld getal/breuk = bestaat uit twee delen, zoals 2 12
- Stamgetal = een breuk waarbij de teller 1 is, bijvoorbeeld 12
Je komt breuken tegen in de werkelijkheid:
Verdeelsituaties
Er is niet genoeg om alleen helen uit te delen. Er zijn 10 kinderen, 5 repen. De breuk
als resultaat van het eerlijk verdelen van meerdere voorwerpen.
Meetsituaties
Er is vaak nog een restje over. Als je een lokaal meet is het bijvoorbeeld 5 meter en
nog 34 meter. Ze zeggen dan 1, 2, 3 meter nog wat..
Verhoudingssituaties
Een vergelijking van 2 gegevens. Van alle kinderen uit Nederland heeft 24 deel een
fiets. Nu weet je niet hoeveel kinderen een fiets hebben. Dit wil zeggen dat je een
relatief getal hebt en geen absoluut (hoeveelheid) getal.
1 op de 10 Nederlanders gaat niet op vakantie (1/10) of drie kwart van de inwoners is
ouder dan 25 jaar. (3/4)
Wanneer breuken in een les ontstaan, kunnen ze voor kinderen eerder betekenis krijgen. Je
wilt laten zien dat er breuken ontstaan.
Verschillende getallen:
Deel van geheel
-De breuk als resultaat van het verdelen van één voorwerp
-1 object wordt in een aantal stukken verdeeld.
Deel van hoeveelheid
-Deel van een hoeveelheid
-Van een aantal wordt een deel genomen als bewerking.
-Voorbeeld: 1/3 deel van € 150 = (1/3 x 150)