Besluitvorming
,H1 Wat is politiek?
1.1 Het begrip politiek
Betekenissen van politiek:
Beslissingen van de regering, het overheidsbeleid om een probleem op telossen bijv. drugspolitiek,
milieupolitiek en onderwijspolitiek.
Staatsinrichting, alle regels voor een manier waarop een land wordt bestuurd bijv. macht van het
staatshoofd en de bevoegdheden van het parlement.
Handelwijze / strategie om een doel te bereiken bijv. milieudefensie die bomen kopen op een stuk land
waar de vijfde baan van Schiphol komt.
Behendig, sluw, slim en achterbaks bijv. vervelende politieke spelletjes.
Politiek / proces van politieke besluitvorming: een proces van omzetting van verlangens, wensen en eisen
vanuit de samenleving in bindende besluiten.
Politieke besluitvorming is gericht op het oplossen van maatschappelijke problemen. Het zijn vaak
verdelingsvraagstukken (verdeling materiële dingen) of kwesties van de openbare orde.
Politiek probleem: een situatie die mensen ongewenst vinden en die ze (mede) door middel van
overheidsingrijpen veranderd willen zien bijv. fileprobleem.
↳ Beïnvloed door verandering van de tijd en verandering in opvattingen.
Publieke agenda: problemen die aandacht krijgen van burgers en van maatschappelijke groeperingen.
Politieke agenda: publieke problemen die door media-aandacht of door belangenverenigingen bij politici
terecht komen en onder de aandacht komen.
Overheidsbeleid: het kiezen van een bepaalde oplossing voor een maatschappelijk probleem en het inzetten
van (financiële) middelen om het beoogde politieke doel op een vastgesteld moment te bereiken.
↳ We verwachten van de overheid dat zij met beleidsmaatregelen het probleem oplost.
1.2 De overheid
Overheid: de regering (staatshoofd en ministers) die, met behulp van het ambtelijk apparaat, Nederland
besturen.
Bij politieke vraagstukken en problemen gaat het altijd om kwesties die voor meer mensen van belang zijn en
die zij zelf niet kunnen oplossen. Het gaat om collectieve belangen en collectieve goederen.
↳ Collectieve goederen: goederen waar de meeste mensen belang bij hebben, omdat ze er gebruik van maken
of kunnen maken.
Kerntaken van de Nederlandse overheid:
Het garanderen van de openbare orde en veiligheid bijv. agenten, rechters.
Het onderhouden van goede buitenlandse betrekkingen zoals binnen de EU en NAVO, maar ook bijv. met
China.
Het scheppen van werkgelegenheid, sociale zekerheid, goede arbeidsomstandigheden, infrastructuur en
voorspoedig economisch klimaat.
Het zorgen voor welzijn, onderwijs, volksgezondheid, kunst en andere goederen op sociaal-cultureel gebied.
,H2 Democratie en rechtsstaat
2.1 Nederland als democratische rechtsstaat
Rechtstaat : een staat waarin de rechten en plichten van zowel de inwoners als van de overheid zijn
vastgelegd zodat burgers beschermd worden tegen machtsmisbruik van de overheid.
Democratische rechtstaat : een staat waarin de macht door of namens het volk wordt uitgeoefend binnen
de grenzen dan de grondwet, zodat individuele grondrechten worden beschermd.
3 kenmerken democratische rechtstaat :
Er is sprake van een grondwettelijke scheiding van de politieke macht
De (politieke) grondrechten worden geëerbiedigd
Het bestuur van een land is gebaseerd op het legaliteitsbeginsel
Wetgevende macht: Stelt wetten vast waaraan de burgers zich moeten houden
In Nederland in handen van de regering (staatshoofd en ministers) en het parlement
(eerste en tweede kamer).
Uitvoerende macht: Zorgt ervoor dat eenmaal goedgekeurde wetten ook worden uitgevoerd
Hiervoor zijn in Nederland de ministers verantwoordelijk
Rechterlijke macht: Beoordeeld of wetten goed worden nageleefd.
In Nederland in handen van onafhankelijke rechters
Klassieke grondrechten: de rechten die de vrijheid en gelijkheid van de burgers moeten garanderen (bijv.
vrijheid van godsdienst en het recht op een eerlijk proces).
Sociale grondrechten: de rechten die de overheid verplichten te zorgen voor voldoende werkgelegenheid,
sociale zekerheid, een schone en veilige leefomgeving, goede volksgezondheid, voldoende woonruimte,
maatschappelijke en culturele ontplooiingsmogelijkheden en voor iedereen toegankelijk en goed onderwijs.
Recht van information: (artikel 110 grondwet) verplicht de overheid informatie te geven over het beleid en de
uitvoering aan de volksvertegenwoordiging, journalisten en burgers.
Legaliteitsbeginsel: de overheid mag alleen maatregelen nemen en handelend optreden binnen het kader van
haar wettelijk vastgelegde bevoegdheden.
Juridische grondslag: bijv. een tweede kamerlid heeft het stemrecht bij wetsvoorstellen omdat dit in de
grondwet staat.
2.2 Constitutionele monarchie met parlementair stelsel
Nederland is een constitutionele monarchie met een parlementair stelsel, omdat de positie van het
koningshuis is vastgelegd in de grondwet (constitutie).
Belangrijkste taken van de koning(in).
Het plaatsen van een handtekening onder alle wetten.
Het voorlezen van de Troonrede op Prinsjesdag.
Het benoemen van ministers en (in)formateurs bij de vorming van een nieuw kabinet.
Het regelmatig voeren van overleg met de minister-president over het kabinetsbeleid.
Het is een ceremoniële functie en het staatshoofd is onschendbaar, maar geeft wel eens adviezen.
Directe democratie: burgers stemmen zelf over wetsvoorstellen.
Parlementaire democratie: wij stemmen zelf niet over wetsvoorstellen, maar kiezen een parlement dat
namens ons stemt.
, Kenmerken van onze parlementaire democratie:
Representatiedemocratie / indirecte democratie: het volk wordt vertegenwoordigd door een parlement
dat door vrije en geheime verkiezingen wordt gekozen.
Alle burgers zijn gelijkwaardig voor de wet en hebben gelijke invloed op de samenstelling van het
parlement.
Ministers zijn verantwoording schuldig aan de gekozen volksvertegenwoordiging.
de macht van de overheid wordt gelegitimeerd door de vrije en geheime verkiezingen, die uiterlijk iedere 4
jaar plaatsvinden.
Het kabinet voert beleid op basis van het vertrouwen van de meerderheid van de
volksvertegenwoordiging.
Besluitvorming door regering en parlement vindt plaats bij meerderheid van stemmen.
Het parlement is geen ‘dictatuur van de meerderheid’, maar houdt rekening met de rechten en belangen
van minderheden.
Er is sprake van een tweekamerstelsel, waarbij het politiek primaat bij de direct gekozen Tweede Kamer
ligt. De indirect gekozen Eerste Kamer, of Senaat, vervult de rol van laatste controle kamer van reflectie.
H3 Verkiezingen en kiesstelsels
3.1 Het Nederlandse kiesstelsel
Actief kiesrecht: het recht om te kiezen.
Passief kiesrecht: het recht om gekozen te worden.
↳ mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit mogen stemmen bij gemeenteraadverkiezingen indien ze
langer dan vijf jaar in Nederland wonen.
Evenredige vertegenwoordiging: alle uitgebrachte stemmen worden verdeeld over het beschikbare aantal
zetels. (% behaalde stemmen = % zetels.)
↳ Voordeel: alle stemmen tellen even zwaar mee bij de verdeling van de zetels.
↳ Nadeel: er zijn veel kleine partijen met een of meer zetels > debat wordt onoverzichtelijk.
Kiesdeler: de hoeveelheid stemmen die je nodig hebt voor een zetel.
Kiesdrempel: een partij moet een bepaald minimumpercentage stemmen halen om mee te delen in de zetels.
Districtenstelsel (bv. in NL + GER): het land wordt verdeeld in een aantal gebieden.
↳Voordeel: > de kiezers kennen de kandidaten beter > er is een sterkere binding tussen de twee.
> grotere betrokkenheid kiezers.
> kandidaat moet belangen van eigen district behartigen.
↳Nadeel: > gekozen kandidaat vertegenwoordigt niet de meerderheid van de bevolking.
> kleine partijen hebben geen kans op vertegenwoordiging.
> fractiediscipline: de afspraak om bij wetsvoorstellen hetzelfde te stemmen als de andere
partijleden > kan leiden tot een interestconflict.
Meerderheidsstelsel (bv. in FR): ook hier wordt het land verdeeld in een aantal gebieden, maar je wordt alleen
vertegenwoordiger als je meer dan 50% van de stemmen hebt. Anders wordt de stemming overgedaan.