1
schrijven, tussen -n en -s, koppelteken, stijlkwesties op woordniveau en stijlkwesties op
zinsniveau.
Werkwoordspelling:
Tegenwoordigetijd:
Ik= ik – vorm
Jij / hij / zij / het = ik-vorm + t
Wij / jullie / zij = hele werkwoord
Als je of jij achter de persoonsvorm staat (en het onderwerp is!) krijg je alleen de stam.
Verledentijd:
Sterke werkwoorden = werkwoorden die in de verleden tijd van klank veranderen je schrijft wat je
hoort.
Als je niet weet of het woord op d of t eindigt maak je het woord langer.
Zwakke werkwoorden = woorden die een d of t achter de stam krijgen (+e(n)) als de laatste letter
van de stam in ‘t ex-kofschip voorkomt komt er een -te(n) achter.
Als de stam van een ww eindigt op -z of een -v dan wordt dat in de verleden tijd een -s of -f.
Voltooid deelwoord:
Altijd in combinatie met persoonsvorm van worden, hebben of zijn. Het begint meestal met ge-
behalve als het infinitief begint met ver-, her-, er-, be- of ont.
Sterkwerkwoord schrijf op wat je hoort.
Zwakwerkwoord langer maken of ’t ex-kofschip gebruiken.
Engelse werkwoorden:
Gebruik ook hier ’t ex-kofschip je vervoegt Engelse werkwoorden hetzelfde als Nederlandse hoe
fout het ook klinkt.
Soms laat je de -e achter de stam staan omdat het woord anders fout wordt uitgesproken.
Let op! Scoren is een uitzonderen hier is de ik-vorm: ik scoor.
Gebiedende wijs:
Schrijf alleen de ik-vorm.
Onvoltooid deelwoord:
Het is nog bezig en nog niet afgerond je schrijft het hele werkwoord + -d(e)
Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord:
Schrijf zo kort mogelijk.
Vb: de gezeefde bloem d door kofschip en zo kort mogelijk
Vb: de verbrede weg geen dubbelle -d en dubbel -ee want zo kort mogelijk.
Los of aan elkaar schrijven:
Samenstelling= twee of meer zelfstandig naamwoorden vormen een nieuw woord schrijf aan
elkaar.
Als er een naam in de samenstelling zit moet je de spaties uit de naam behouden.
Voorzetsels: Een voorzetsel dat bij een werkwoord hoort moet je verbinden met het voorzetsel
ervoor of met de bijwoorden er, hier, daar en waar bv. Waarvoor je schrijft het aan elkaar.
*Dit doe je dus niet als het bij het werkwoord hoort.
Getallen:
Getallen die je in letters schrijft moeten aan elkaar maar:
Na duizend moet een spatie.
Miljoen en miljard schrijf je altijd los.
Breuken schrijf je met een spatie.