I-INT8: Toetsdoelen Drama
De student kan inhoudelijke keuzes voor drama activiteiten verantwoorden op basis
van kenmerken van de betreffende leeftijdsgroep en de beginsituatie van zijn
stageklas.
Stadia van spel:
Groep 1-3 Van kinderspel naar rollenspel
- Kinderspel: imiteren, experimenteren, iets anders representeren.
- Rollenspel: kind kan iemand anders spelen.
Groep 4-6 Dramatisch spel
- Ontluikend: Samenspel vanuit rolemoties en rolmotieven. Spel herhalen vanuit
afspraken en inzicht.
- Differentere: onderscheid maken. Hoe ver zijn de leerlingen.
Groep 7-8 Dramatisch spel
- Ontluikend toneelspel: speelwijze staat ten diensten van de overdracht
- Ontluikend theaterspel: aandacht voor personage, mise en scene, spanningsopbouw.
Spelelement/spelvorm geschikt
Groep Individueel en naast elkaar i.p.v. samen
1-2 Experimenteel met beweging, stem en mimiek. (Je bent een reus. Hoe loopt een reus?
Spelen mee met een vertelpantomime.
Imiteren elkaar of de leerkracht.
Doen mee met teacher in role
Kijken of doen mee met poppenspel.
Kunnen spiegelen (tegenover elkaar, alle bewegingen hetzelfde)
Kunnen meedoen met leidimprovisatie (iemand strekt been, iedereen sterkt been)
Kunnen zelfstandig fantaseren of samen met anderen.
Kunnen in kleine groepjes spelen aan verteltafel
Zintuigspellen
Spelen een verhaal na uit een prentenboek, gedicht of eigen belevenis.
Spelen met attributen.
Zijn vooral gericht op non-verbaal spel
Bewegen op muziek
Werken met emoties
Groep Spelen samen en kunnen reageren op spel van anderen.
3-4 Bedenken en spelen met hulp een korte scène.
Kunnen met hulp wie, wat, waar bedenken.
Improviseren
Kunnen rekening houden met elkaar in spel.
Kunnen (non)verbaal spel toepassen.
Kunnen spel aanpassen na aanwijzingen.
Zijn in staat een scène van een duidelijk begin en eind te voorzien.
Spelen een verhaal uit een boek of eigen belevenis na.
Groep Kunnen stem, houding, beweging en mimiek bewust inzetten om rollen te
5-6 creëren/versterken.
De student kan inhoudelijke keuzes voor drama activiteiten verantwoorden op basis
van kenmerken van de betreffende leeftijdsgroep en de beginsituatie van zijn
stageklas.
Stadia van spel:
Groep 1-3 Van kinderspel naar rollenspel
- Kinderspel: imiteren, experimenteren, iets anders representeren.
- Rollenspel: kind kan iemand anders spelen.
Groep 4-6 Dramatisch spel
- Ontluikend: Samenspel vanuit rolemoties en rolmotieven. Spel herhalen vanuit
afspraken en inzicht.
- Differentere: onderscheid maken. Hoe ver zijn de leerlingen.
Groep 7-8 Dramatisch spel
- Ontluikend toneelspel: speelwijze staat ten diensten van de overdracht
- Ontluikend theaterspel: aandacht voor personage, mise en scene, spanningsopbouw.
Spelelement/spelvorm geschikt
Groep Individueel en naast elkaar i.p.v. samen
1-2 Experimenteel met beweging, stem en mimiek. (Je bent een reus. Hoe loopt een reus?
Spelen mee met een vertelpantomime.
Imiteren elkaar of de leerkracht.
Doen mee met teacher in role
Kijken of doen mee met poppenspel.
Kunnen spiegelen (tegenover elkaar, alle bewegingen hetzelfde)
Kunnen meedoen met leidimprovisatie (iemand strekt been, iedereen sterkt been)
Kunnen zelfstandig fantaseren of samen met anderen.
Kunnen in kleine groepjes spelen aan verteltafel
Zintuigspellen
Spelen een verhaal na uit een prentenboek, gedicht of eigen belevenis.
Spelen met attributen.
Zijn vooral gericht op non-verbaal spel
Bewegen op muziek
Werken met emoties
Groep Spelen samen en kunnen reageren op spel van anderen.
3-4 Bedenken en spelen met hulp een korte scène.
Kunnen met hulp wie, wat, waar bedenken.
Improviseren
Kunnen rekening houden met elkaar in spel.
Kunnen (non)verbaal spel toepassen.
Kunnen spel aanpassen na aanwijzingen.
Zijn in staat een scène van een duidelijk begin en eind te voorzien.
Spelen een verhaal uit een boek of eigen belevenis na.
Groep Kunnen stem, houding, beweging en mimiek bewust inzetten om rollen te
5-6 creëren/versterken.