Het motorisch systeem omvat de componenten van het centrale en perifere
zenuwsysteem samen met de spieren, gewrichten en botten die ons in staat stellen
om bewegingen te maken.
-> Bewegingscontrole
Bewegingscontrole is de studie naar hoe lichaamsbewegingen gepland worden door
het brein en uitgevoerd worden door het lichaam.
Bernstein leverde een grote bijdrage aan het onderzoek naar bewegingscontrole, hij
bedacht het degrees of freedom problem, dit houdt in dat er zeel veel mogelijkheden
zijn waarop gewrichten kunnen bewegen, maar slechts één beweging wordt
uitgevoerd.
Een evolutionair voordeel van deze vrijheidsgraden is dat het ons in staat stelt om
acties uit te voeren in verschillende situaties.
Maar wat bepaalt welke bewegingen we uiteindelijk maken?
-> Theorieën over het plannen van bewegingen
De eerste theoretische aanpak is de equilibrium punt hypothese, dit is een theorie
over bewegingscontrole die benadrukt hoe het probleem van controle
vergemakkelijkt kan worden door rekening te houden met eigenschappen van
spieren. Een analoog voor deze theorie zijn veren, net zoals veren hangt de
inspanning van spieren af van de mate waarin zijn gestrekt zijn. Deze spanning in de
spieren bepaalt uiteindelijk de eindpossitie. Het veranderen van een beweging of
positie komt dus tot stand door het veranderen van de “veereigenschappen” van de
spieren.
Een tweede theorie is de dynamische systeem theorie, deze theorie benadrukt de
interactie tussen het lichaam en de omgeving en gebruikt speciale wiskunde wat
beschrijft hoe gedragingen veranderen in de loop van de tijd. De overgang van
asymmetrisch naar symmetrisch is omschreven in dynamische systemen door een
overgang in het motor systeem.
Een derde theorie is de optimale controle theorie, deze omvat het raamwerk aan
principes om zo een beweging uit te voeren die aan bepaalde criteria voldoet, ofwel;
het uitvoeren van de meeste efficiënte beweging.
Optimaliserende principes voor het uitvoeren van de meeste efficiënte beweging zijn
bijvoorbeeld het plannen van de meeste soepele beweging tussen twee punten, of
het plannen van de kleinste hoeveelheid draaiingen van gewrichten.
Bijstelling van bewegingen kan plaats vinden op basis van feedback uit de zintuigen,
maar! Deze informatie is vaak niet snel genoeg.
Forward models worden gebruikt om de relatie te voorspellen tussen acties en hun
consequenties. Bij een bewegingsopdracht voorspelt het forward model dus het
resulterende gedrag van het lichaam en de omgeving. *Zie blz, 240 model!
Een ander kenmerk van de optimale controle theorie is dat de verschillende “boxen”
(model 8.3) gelokaliseerd zijn in verschillende breingebieden met een bepaalde
functie. De basale ganglia is een groep neuronen in de basis van het voorbrein die
verbonden zijn met de cortex en betrokken bij het selecteren van een actie.
Stoornissen in de basale ganglia zijn vaak gerelateerd aan bewegingsstoornissen
zoals parkinson.