• Argument = Een reden voor je instemming of afwijzing/ Een bewering die je aanvoert ter
ondersteuning van je standpunt
• Signaalwoorden = Woorden waaraan je een standpunt of een argument kan herkennen
(Want, derhalve, omdat, immers en namelijk) voor argumenten
(Dus, daarom en volgens mij) voor standpunten
• Redeneringen = Een aaneenschakeling van argumenten ter ondersteuning van een standpunt
Een redenering bestaat uit 1 of meerdere argumenten en 1 conclusie
• Verzwegen argument = Argumenten die weggelaten worden omdat ze veronderstelt worden
bekent te zijn bij iedereen. Wordt gebruikt bij verkorte redeneringen
• Retorische situatie = Dialectica, Logica en Retorica
- Dialectica = Is de informatie volledig, niet te eenzijdig, de argumenten (feitelijk) juist,
terecht en wettig? Je belicht het onder werp van verschillende kanten
- Logica = De Logica onderzoekt de geldigheid van redeneringen. Klopt de redenering
ongeacht de juistheid van de argumenten?
- Retorica = De manier waarop je het publiek overtuigt.
(Woordkeuze en drogredenen) verbaal
(Uitstraling, intonatie(stem gebruik), mimiek, gebaren, beelden(video, dia's, foto's), visuele
schema's en muziek(live, recorder).
• Aristoteles wordt de vader van Logica gezien omdat hij als eerste de regels en kenmerken
van het correct redeneren opschreef. Aristoteles noemde het Organon. Letterlijk: het
gereedschap voor de filosofie en wetenschapper. Hij heeft de kern van ... bedacht:
- De twee premissen en één conclusie
- Het syllogisme
• Gottfried Wilhelm Leibniz was een Duitse filosoof die droomde van een universele kunsttaal
die alle dubblezinnigheid en vaagheden van de omgangstaal zou vermijden (characteristica
universalis) Er zou een vertaal sleutel zijn van de omgangstaal naar de kunsttaal. Later
kwam zijn droom deels uit.
• Premisse = Argumenten
• Conclusie = Gevolgtrekking aan de hand van de argumenten
• Waarheid = Wat in de werkelijkheid zo is
• Geldigheid = Of de redenering klopt qua Als P --> Q P Q
• Modus ponens = Bevestigend
P --> Q Als ik overga dan mag ik een nieuwe computer
P Ik ga over
Q Ik mag een nieuwe computer
• Modus tollens = Ontkennend P --> Q Geen Q Geen Q en P
P --> Q Als ik overga dan mag ik een nieuwe computer
Geen Q Ik mag geen nieuwe computer
Geen P Ik ben niet overgegaan/ Ik ga niet over
• Syllogisme = Een redenering die een structuur heeft van P --> Q P dus Q
Alle mensen zijn sterfelijk. Aristoteles is een mens. Aristoteles is sterfelijk.
• Propositielogica = Als je hele zinnen vertaalt in letters en dan gaat redeneren.
• Syllogisme is elke redenering in de vorm van een "Als ... dan". Propositielogica is puur het
P Q^X P dus Q
• Connectieven = Symbolen die gebruikt worden in Propositielogica om dingen aan elkaar te
verbinden.
• Implicatie = → = Bevestigend Als P dan Q
• Negatie = ¬ = Ontkennend
• Conjunctie = ˄ = En