– Esthetica/schoonheidsleer = niet hetzelfde als de filosofie v/d kunst omdat esthetica veel breder is
dan alleen kunst.
– Esthetische contemplatie = Zo geniet een leeuw niet van het geloei van de koe maar aan zijn
toekomstig lekker hapje rundvlees. Bij dieren staande zintuigen geheel in dienst van de bevrediging
van lichamelijke verlangens. Pas bij de mens kunnen ze zich van die dienstbaarheid losmaken en kan
hun activiteit zelf een bron worden van genot.
– Iets is schoonheid/mooi als we er blij mee zouden zijn ongeacht of het in ons bezit is of niet.
– Iets is aangenaam als we er blij mee zouden zijn maar dat het niet genoeg is dat het alleen bestaat
maar het moet ook in ons bezit zijn
– Kunst = speciale klasse waarin dingen bestaan die speciaal zijn gemaakt om onze
schoonheidservaring op te roepen. Dat is de link tussen kunst en esthetische contemplatie
– De autonomie van kunst is dat kunst werd beschouwd als een zelfstandige domein, verzameling
van werken die het esthetisch genot moeten vullen. Het heeft verder dan dat geen
praktisch/maatschappelijk nut/doel.
– Nuttige kunst/loonkunst is kunst wat wel een doel heeft zoals meubels, serviesgoed en kleren.
Gebruikskunst = het verzamelnaam voor alle kunst die niet op de eerste plaats is gemaakt met het
oog op esthetische contemplatie maar met het oog op een praktische functie.
– Vrije/schone kunst of kunst = kunst wat geen maatschappelijk doel heeft
– Kunst is moeilijk, vergt inspanning van de beschouwer en dwingt hem ook tot serieuze aandacht en
moet ook echt nadenken. Diepzinnig.
Amusement is makkelijk en kan in hapklare happen worden geconsumeerd. Oppervlakkig.
– Probleem van kunsttheorieën is dat kunst niet stilstaat maar steeds verandert. Er zijn verschillende
soorten kunst en over dat een theorie over de gehele kunst te maken lukt niet echt. Meestal gaan
kunst theorieën over een bepaalde kunstvorm en zijn niet toepasbaar op andere kunstvormen.
– De imitatie theorie = Kunst bestaat uit het imiteren of nabootsen van de werkelijkheid. Kunst is dan
de spiegel van de natuur. De realistische schilderijen en beeldhouwkunst.
– De theorie van de artistieke schepping = Deze theorie gaat verder dan de imitatie theorie door wat
toe te voegen aan de natuur. “Het geheim van de kunsten is dat ze de natuur verbeteren” of “De
onvolmaaktheid van de natuur is de oorsprong van de kunst”. Het is dan de taak van de kunstenaar
om de natuur te overtreffen en te vervolmaken of idealiseren en dat kunnen ze door hun grote
verbeeldingskracht. Zo ontstond de gedachte te de kunstenaar niet alleen een imitator was maar
ook een schepper.
– De formalistische opvatting van kunst is dat niet de inhoud maar de vorm en de compositie van de
elementen in het kunstwerk wat het echt kunst maakt. Bijvoorbeeld in een muziekstukje gaat het om
hoe en waar de klanken en tonen door de componist is gerangschikt wat het uiteindelijk maakt tot
een leuk deuntje.
– De expressie theorie is dat de kunstenaar zijn gevoel over wilt brengen aan andere mensen door
middel van een kunstwerk.
– De cognitieve theorie is dat de kunstenaar zijn gedachte over wilt brengen aan andere mensen door
middel van een kunstwerk.
– Plato is er mee eens dat de imitatie of nabootsing het belangrijkste kenmerk is van kunst. Een
schilder die een bed schildert is het bed aan het naschilderen, namaken wat de meubelmaker al
eerder had gemaakt. Het beste wat een kunstenaar kan bereiken is het scheppen van een illusie
waarmee hij het publiek voor de mal kan houden, oftewel het illusionisme.
– Deze houding kan worden verklaart omdat de werkelijkheid waarvan de kunstenaars van
imiteren niet de echte werkelijkheid is, dat is de wereld van de eeuwige ideeën. De wereld
waarin wij leven is maar een onvolmaakte afspiegeling van de ideeënwereld en wat de
kunstenaar? Die maakt daarvan ook weer een onvolmaakt afspiegeling. In zijn beoordeling van
kunst gaat het om waarheid niet om schoonheid. Het genot dat we van kunst beleven is de
betovering van de illusie en in de herkenning van de ideeën. Kunstenaars zijn na-apers.
– De trinity : De Ware, De Schone en de Goede staan boven aan alles in de ideeënwereld
dan alleen kunst.
– Esthetische contemplatie = Zo geniet een leeuw niet van het geloei van de koe maar aan zijn
toekomstig lekker hapje rundvlees. Bij dieren staande zintuigen geheel in dienst van de bevrediging
van lichamelijke verlangens. Pas bij de mens kunnen ze zich van die dienstbaarheid losmaken en kan
hun activiteit zelf een bron worden van genot.
– Iets is schoonheid/mooi als we er blij mee zouden zijn ongeacht of het in ons bezit is of niet.
– Iets is aangenaam als we er blij mee zouden zijn maar dat het niet genoeg is dat het alleen bestaat
maar het moet ook in ons bezit zijn
– Kunst = speciale klasse waarin dingen bestaan die speciaal zijn gemaakt om onze
schoonheidservaring op te roepen. Dat is de link tussen kunst en esthetische contemplatie
– De autonomie van kunst is dat kunst werd beschouwd als een zelfstandige domein, verzameling
van werken die het esthetisch genot moeten vullen. Het heeft verder dan dat geen
praktisch/maatschappelijk nut/doel.
– Nuttige kunst/loonkunst is kunst wat wel een doel heeft zoals meubels, serviesgoed en kleren.
Gebruikskunst = het verzamelnaam voor alle kunst die niet op de eerste plaats is gemaakt met het
oog op esthetische contemplatie maar met het oog op een praktische functie.
– Vrije/schone kunst of kunst = kunst wat geen maatschappelijk doel heeft
– Kunst is moeilijk, vergt inspanning van de beschouwer en dwingt hem ook tot serieuze aandacht en
moet ook echt nadenken. Diepzinnig.
Amusement is makkelijk en kan in hapklare happen worden geconsumeerd. Oppervlakkig.
– Probleem van kunsttheorieën is dat kunst niet stilstaat maar steeds verandert. Er zijn verschillende
soorten kunst en over dat een theorie over de gehele kunst te maken lukt niet echt. Meestal gaan
kunst theorieën over een bepaalde kunstvorm en zijn niet toepasbaar op andere kunstvormen.
– De imitatie theorie = Kunst bestaat uit het imiteren of nabootsen van de werkelijkheid. Kunst is dan
de spiegel van de natuur. De realistische schilderijen en beeldhouwkunst.
– De theorie van de artistieke schepping = Deze theorie gaat verder dan de imitatie theorie door wat
toe te voegen aan de natuur. “Het geheim van de kunsten is dat ze de natuur verbeteren” of “De
onvolmaaktheid van de natuur is de oorsprong van de kunst”. Het is dan de taak van de kunstenaar
om de natuur te overtreffen en te vervolmaken of idealiseren en dat kunnen ze door hun grote
verbeeldingskracht. Zo ontstond de gedachte te de kunstenaar niet alleen een imitator was maar
ook een schepper.
– De formalistische opvatting van kunst is dat niet de inhoud maar de vorm en de compositie van de
elementen in het kunstwerk wat het echt kunst maakt. Bijvoorbeeld in een muziekstukje gaat het om
hoe en waar de klanken en tonen door de componist is gerangschikt wat het uiteindelijk maakt tot
een leuk deuntje.
– De expressie theorie is dat de kunstenaar zijn gevoel over wilt brengen aan andere mensen door
middel van een kunstwerk.
– De cognitieve theorie is dat de kunstenaar zijn gedachte over wilt brengen aan andere mensen door
middel van een kunstwerk.
– Plato is er mee eens dat de imitatie of nabootsing het belangrijkste kenmerk is van kunst. Een
schilder die een bed schildert is het bed aan het naschilderen, namaken wat de meubelmaker al
eerder had gemaakt. Het beste wat een kunstenaar kan bereiken is het scheppen van een illusie
waarmee hij het publiek voor de mal kan houden, oftewel het illusionisme.
– Deze houding kan worden verklaart omdat de werkelijkheid waarvan de kunstenaars van
imiteren niet de echte werkelijkheid is, dat is de wereld van de eeuwige ideeën. De wereld
waarin wij leven is maar een onvolmaakte afspiegeling van de ideeënwereld en wat de
kunstenaar? Die maakt daarvan ook weer een onvolmaakt afspiegeling. In zijn beoordeling van
kunst gaat het om waarheid niet om schoonheid. Het genot dat we van kunst beleven is de
betovering van de illusie en in de herkenning van de ideeën. Kunstenaars zijn na-apers.
– De trinity : De Ware, De Schone en de Goede staan boven aan alles in de ideeënwereld