.4College 1: Hormoonstelsel
Eigenschappen van het hormoonstelsel:
- Het reguleert stofwisselingsprocessen op langere termijn en over lange afstand
- Geeft hormonen af uit endocriene cellen of weefsels
Hormonen zijn chemische stoffen
Hormonen veranderen de stofwisseling van vele cellen
Hormonen werken op doelcellen
Aminozuurderivaten: bijv. adrenaline, noradrenaline en schildklierhormonen.
Peptiden en eiwitten: ketens van aminozuren. Bijv. insuline, ADH en glucagon
Vet derivativen: steroïden, bijv. testosteron en oestrogenen en eicosanoïden,
bijv. prostaglandinen
Doelcellen zijn cellen in de periferie die op een
specifiek hormoon kunnen reageren.
Hormoonreceptor is een eiwit in het
celmembraan of in het cytoplasma of de celkern
waaraan een bepaald hormoon zich bindt om zijn
werking op een doelcel in gang te zetten.
Afgifte en transport van de hormonen. De hormonen komen rechtstreeks in de haarvaatjes.
Haarvaatjes staan in contact met de bloedvaten. De hormonen komen in de bloedvaten →
komen vervolgens in de circulatie terecht → kunnen de doelcellen vinden.
Meeste hormonen die in de bloedbaan terechtkomen circuleren vrij in een oplossing.
Steroïden en schildklierhormonen binden zich aan bloedeiwitten (albumine) voor vervoer.
Hormonen worden geïnactiveerd door:
- Zich aan receptoren te binden
- Verwijdering door lever en nieren
- Afbraak door extracellulaire enzymen
Belangrijk: Hormonen coördineren cellen gedurende langere tijd. Ze circuleren in het bloed
en binden zich aan specifieke receptoren op of in doelcellen. Ze wijzigen de
doorlaatbaarheid van de membraan, activeren of inactiveren belangrijke enzymen of
wijzigen de genetische activiteit.
,Hormoonafgifte wordt door verschillende mechanismen bepaald.
- Humorale (vloeibare) prikkels. Bijv. concentratie Ca2+ in het bloed reguleert
rechtstreeks de afgifte van het parathyroïdaal hormoon en van calcitonine.
- Hormonale prikkels. Bijv. thyroïde stimulerend hormoon veroorzaakt de afgifte van
het schilklierhormoon uit de schildklier.
- Neurale prikkels. Het zenuwstelsel reguleert de afgifte van adrenaline door het
bijniermerg.
De hypothalamus geeft als endocrien orgaan hormonen af. ADH en oxytocine worden in de
hypothalamus aangemaakt. De hypothalamus geeft regulerende hormonen af die de
endocriene cellen van de hypofyse stimuleren of remmen tot hormoonafgifte. De
hypothalamus bevat autonome neuronen die de afgifte van adrenaline reguleren uit het
bijniermerg.
De hypofyse, verbonden met de hypothalamus,
geeft negen belangrijke hormonen af. Allemaal
peptidehormonen, deze binden zich allemaal aan
(extracellulaire) membraanreceptoren.
De hypofyse bevindt zich onder de hypothalamus
en is verbonden via de hypofyse steel
(infundubulum). De hypofyse bestaan uit de
voorkwab (adenohypofyse) en de achterkwab
(neurohypofyse). Ligt in het stella turcica (holte in
de schedel).
De hormonen van de hypofysevoorkwab:
1. Thyroidstimulerend hormoon (TSH). Veroorzaakt afgifte schildklierhormonen uit de
schildklier.
2. Adenocorticotroop hormoon (ACTH). Stimuleert afgifte van steroïde hormonen door
de bijnierschors. Glucocorticoïden, mineralocorticoïden en androgenen.
3. Follikelstimulerend hormoon (FSH). Stimuleert afgifte oestrogeen, ontwikkeling van
eicellen en spermaproductie.
4. Luteïniserend hormoon (LH). Stimuleert de ovulatie (eisprong) en productie van
oestrogenen en progesteron. Stimuleert de vorming van androgenen (mannelijk
geslachtshormonen) zoals testosteron.
5. Prolactine (PRL). Stimuleert de ontwikkeling van de borstklieren en afgifte van de
moedermelk.
, 6. Groeihormoon (hGH). Stimuleert celgroei via door de lever afgegeven
somatomedinen. Somatomedinen = insulin-like growth factor → lengtegroei,
verhoogt de celdeling en de celgroei.
7. Melanocyt-stimulerend hormoon (MSH). Stimuleert de melanocyten in de huid tot
afgifte van melanine. Dit bepaald de kleur van de huid, ook o.i.v. zonlicht.
In het embryonale stadium wordt MSH voornamelijk geproduceerd; haarkleur,
huidskleur en kleur van de ogen.
De hypofyseachterkwab:
8. Neurohypofyse geeft de hormonen van de hypothalamus af. Antidiuretisch hormoon
(ADH) vermindert waterverlies via urine en vergroot de dorstprikkel.
9. Oxytocine stimuleert contracties baarmoeder tijdens de bevalling en stimuleert de
contractiele cellen in de borstklieren tot melkafgifte → toeschietreflex.
De regulerende factoren van de
hypothalamus reguleren de
hypofysevoorkwab (de bron van zeven
hormonen). Het merendeel daarvan reguleert
andere klieren (schildklier, bijnier,
voorplantingsorganen).
De hypofyseachterkwab geeft twee
hormonen af die in de hypothalamus worden
geproduceerd: ADH (beperkt waterverlies) en
oxytocine (stimuleert contracties in de
borstklieren, baarmoeder en prostaat).
De schildklier ligt onder het schilklierkraakbeen voor de luchtpijp. Bestaat uit twee kwabben
die door de isthmus zijn verbonden. Het schildklierweefsel is goed doorbloed. Bevat talrijke
schildklierfollikels: productie, opslag en afgifte van schildklierhormonen.
Follikels bevatten een colloïde vloeistof waarin schildklierhormonen zijn in opgelost.
Productie van schildklierhormonen vereist voldoende jodium in het dieet. De
schildklierhormonen bestaan in twee vormen: thyroxine (T4) en tri-joodthyronine (T3). TSH
van de hypofyse stimuleer afgifte van T4 en T3. De belangrijkste functie van de
schilklierhormonen is het versnellen van de stofwisseling en warmteproductie (calorigeen
effect). Dit is nodig voor normale ontwikkeling bij kinderen: beenderstelsel, spierstelsel en
zenuwstelsel.
De C-cellen van de schildklier liggen verspreid buiten het follikelepitheel, worden ook
parafolliculaire cellen genoemd. C-cellen geven calcitonine af:
- Is onafhankelijk van de hypofyse of hypothalamus
- Gestimuleerd door hoge concentratie Ca2+ in bloed, humorale regulering
- Verlagen concentratie Ca2+ in bloed
- Remt botafbraak
- Stimuleert calcium afzetting in botweefsel
- Stimuleert de uitscheiding van calcium in de nieren via de urine
, De bijschildklieren zijn vier klieren in het
dorsale oppervlak van de schildklier. Chief cells
produceren het parathyroïdaal hormoon
(PTH). Lage concentratie Ca2+ in het bloed
stimuleert de afgifte van PTH.
- PTH versnelt de afbraak van bot
- PTH bevordert de opname van
calciumionen uit voedsel
- Vermindert het verlies van
calciumionen via de nieren
- PTH heeft als doel om de concentratie
Ca2+ ionen in het bloed te reguleren
De schildklier produceert hormonen die de stofwisselingssnelheid aanpassen en een
hormoon dat een rol speelt bij de homeostase van calcium ionen door de werking van het
parathyreoïdaal hormoon tegen te gaan.
De bijnieren liggen bovenop de beide nieren en zijn
omringd door een vezelig kapsel. De bijnieren bestaan uit
twee delen: de bijnierschors (buitenste laag) en het
bijniermerg (binnenste laag). De bijnierschors heeft een
gele kleur: opslag van vetten, steroïde hormonen =
corticosteroïden. Het bijniermerg geeft adrenaline en
noradrenaline af.
Eigenschappen van het hormoonstelsel:
- Het reguleert stofwisselingsprocessen op langere termijn en over lange afstand
- Geeft hormonen af uit endocriene cellen of weefsels
Hormonen zijn chemische stoffen
Hormonen veranderen de stofwisseling van vele cellen
Hormonen werken op doelcellen
Aminozuurderivaten: bijv. adrenaline, noradrenaline en schildklierhormonen.
Peptiden en eiwitten: ketens van aminozuren. Bijv. insuline, ADH en glucagon
Vet derivativen: steroïden, bijv. testosteron en oestrogenen en eicosanoïden,
bijv. prostaglandinen
Doelcellen zijn cellen in de periferie die op een
specifiek hormoon kunnen reageren.
Hormoonreceptor is een eiwit in het
celmembraan of in het cytoplasma of de celkern
waaraan een bepaald hormoon zich bindt om zijn
werking op een doelcel in gang te zetten.
Afgifte en transport van de hormonen. De hormonen komen rechtstreeks in de haarvaatjes.
Haarvaatjes staan in contact met de bloedvaten. De hormonen komen in de bloedvaten →
komen vervolgens in de circulatie terecht → kunnen de doelcellen vinden.
Meeste hormonen die in de bloedbaan terechtkomen circuleren vrij in een oplossing.
Steroïden en schildklierhormonen binden zich aan bloedeiwitten (albumine) voor vervoer.
Hormonen worden geïnactiveerd door:
- Zich aan receptoren te binden
- Verwijdering door lever en nieren
- Afbraak door extracellulaire enzymen
Belangrijk: Hormonen coördineren cellen gedurende langere tijd. Ze circuleren in het bloed
en binden zich aan specifieke receptoren op of in doelcellen. Ze wijzigen de
doorlaatbaarheid van de membraan, activeren of inactiveren belangrijke enzymen of
wijzigen de genetische activiteit.
,Hormoonafgifte wordt door verschillende mechanismen bepaald.
- Humorale (vloeibare) prikkels. Bijv. concentratie Ca2+ in het bloed reguleert
rechtstreeks de afgifte van het parathyroïdaal hormoon en van calcitonine.
- Hormonale prikkels. Bijv. thyroïde stimulerend hormoon veroorzaakt de afgifte van
het schilklierhormoon uit de schildklier.
- Neurale prikkels. Het zenuwstelsel reguleert de afgifte van adrenaline door het
bijniermerg.
De hypothalamus geeft als endocrien orgaan hormonen af. ADH en oxytocine worden in de
hypothalamus aangemaakt. De hypothalamus geeft regulerende hormonen af die de
endocriene cellen van de hypofyse stimuleren of remmen tot hormoonafgifte. De
hypothalamus bevat autonome neuronen die de afgifte van adrenaline reguleren uit het
bijniermerg.
De hypofyse, verbonden met de hypothalamus,
geeft negen belangrijke hormonen af. Allemaal
peptidehormonen, deze binden zich allemaal aan
(extracellulaire) membraanreceptoren.
De hypofyse bevindt zich onder de hypothalamus
en is verbonden via de hypofyse steel
(infundubulum). De hypofyse bestaan uit de
voorkwab (adenohypofyse) en de achterkwab
(neurohypofyse). Ligt in het stella turcica (holte in
de schedel).
De hormonen van de hypofysevoorkwab:
1. Thyroidstimulerend hormoon (TSH). Veroorzaakt afgifte schildklierhormonen uit de
schildklier.
2. Adenocorticotroop hormoon (ACTH). Stimuleert afgifte van steroïde hormonen door
de bijnierschors. Glucocorticoïden, mineralocorticoïden en androgenen.
3. Follikelstimulerend hormoon (FSH). Stimuleert afgifte oestrogeen, ontwikkeling van
eicellen en spermaproductie.
4. Luteïniserend hormoon (LH). Stimuleert de ovulatie (eisprong) en productie van
oestrogenen en progesteron. Stimuleert de vorming van androgenen (mannelijk
geslachtshormonen) zoals testosteron.
5. Prolactine (PRL). Stimuleert de ontwikkeling van de borstklieren en afgifte van de
moedermelk.
, 6. Groeihormoon (hGH). Stimuleert celgroei via door de lever afgegeven
somatomedinen. Somatomedinen = insulin-like growth factor → lengtegroei,
verhoogt de celdeling en de celgroei.
7. Melanocyt-stimulerend hormoon (MSH). Stimuleert de melanocyten in de huid tot
afgifte van melanine. Dit bepaald de kleur van de huid, ook o.i.v. zonlicht.
In het embryonale stadium wordt MSH voornamelijk geproduceerd; haarkleur,
huidskleur en kleur van de ogen.
De hypofyseachterkwab:
8. Neurohypofyse geeft de hormonen van de hypothalamus af. Antidiuretisch hormoon
(ADH) vermindert waterverlies via urine en vergroot de dorstprikkel.
9. Oxytocine stimuleert contracties baarmoeder tijdens de bevalling en stimuleert de
contractiele cellen in de borstklieren tot melkafgifte → toeschietreflex.
De regulerende factoren van de
hypothalamus reguleren de
hypofysevoorkwab (de bron van zeven
hormonen). Het merendeel daarvan reguleert
andere klieren (schildklier, bijnier,
voorplantingsorganen).
De hypofyseachterkwab geeft twee
hormonen af die in de hypothalamus worden
geproduceerd: ADH (beperkt waterverlies) en
oxytocine (stimuleert contracties in de
borstklieren, baarmoeder en prostaat).
De schildklier ligt onder het schilklierkraakbeen voor de luchtpijp. Bestaat uit twee kwabben
die door de isthmus zijn verbonden. Het schildklierweefsel is goed doorbloed. Bevat talrijke
schildklierfollikels: productie, opslag en afgifte van schildklierhormonen.
Follikels bevatten een colloïde vloeistof waarin schildklierhormonen zijn in opgelost.
Productie van schildklierhormonen vereist voldoende jodium in het dieet. De
schildklierhormonen bestaan in twee vormen: thyroxine (T4) en tri-joodthyronine (T3). TSH
van de hypofyse stimuleer afgifte van T4 en T3. De belangrijkste functie van de
schilklierhormonen is het versnellen van de stofwisseling en warmteproductie (calorigeen
effect). Dit is nodig voor normale ontwikkeling bij kinderen: beenderstelsel, spierstelsel en
zenuwstelsel.
De C-cellen van de schildklier liggen verspreid buiten het follikelepitheel, worden ook
parafolliculaire cellen genoemd. C-cellen geven calcitonine af:
- Is onafhankelijk van de hypofyse of hypothalamus
- Gestimuleerd door hoge concentratie Ca2+ in bloed, humorale regulering
- Verlagen concentratie Ca2+ in bloed
- Remt botafbraak
- Stimuleert calcium afzetting in botweefsel
- Stimuleert de uitscheiding van calcium in de nieren via de urine
, De bijschildklieren zijn vier klieren in het
dorsale oppervlak van de schildklier. Chief cells
produceren het parathyroïdaal hormoon
(PTH). Lage concentratie Ca2+ in het bloed
stimuleert de afgifte van PTH.
- PTH versnelt de afbraak van bot
- PTH bevordert de opname van
calciumionen uit voedsel
- Vermindert het verlies van
calciumionen via de nieren
- PTH heeft als doel om de concentratie
Ca2+ ionen in het bloed te reguleren
De schildklier produceert hormonen die de stofwisselingssnelheid aanpassen en een
hormoon dat een rol speelt bij de homeostase van calcium ionen door de werking van het
parathyreoïdaal hormoon tegen te gaan.
De bijnieren liggen bovenop de beide nieren en zijn
omringd door een vezelig kapsel. De bijnieren bestaan uit
twee delen: de bijnierschors (buitenste laag) en het
bijniermerg (binnenste laag). De bijnierschors heeft een
gele kleur: opslag van vetten, steroïde hormonen =
corticosteroïden. Het bijniermerg geeft adrenaline en
noradrenaline af.