Marktresultaten en Overheidsinvloed
Economie
Dikgedrukte woorden zijn begrippen die bij het hoofdstuk horen (LWEO.NL)
Hoofdstuk 1 ~ Economische doelmatigheid
Als je kijkt naar je betalingsbereidheid maak je een afweging tussen de
kosten (opgeofferde schaarse middelen)en de baten (mate van
behoeftebevrediging). Ook bestaat er de leveringsbereidheid: hoeveel wil
de producent voor zijn product hebben?
Ook de overheid maakt kosten-batenanalyses. In een maatschappelijke
kosten-batenanalyse (MKBA) worden de kosten en baten in geld
uitgedrukt.
Het verschil tussen de betalingsbereidheid en de daadwerkelijke prijs is
het consumentensurplus. Het verschil tussen de leveringsbereidheid en
de daadwerkelijke prijs is het producentensurplus (dit is geen winst). Je
kan deze surplussen arceren in een grafiek met een vraag- en aanbodlijn.
Hierbij zit het consumentensurplus boven de evenwichtsprijs en het
producentensurplus eronder.
Je kan van deze driehoeken de oppervlakten berekenen. Dit doe je met de
volgende formule:
1/2 x hoogte x breedte
Het producentensurplus van een bedrijf is gelijk aan de winst als er geen
constante kosten zijn. Deze worden namelijk betaald uit het
producentensurplus. Het totale surplus is de som van het
consumentensurplus en het producentensurplus.
Als de prijs lager is dan de marginale kosten, zal de producent niet
aanbieden. De marginale-kostenlijn geeft aan welke hoeveelheid een
producent aanbiedt bij een bepaalde prijs. Bij een volkomen concurrentie
valt deze lijn samen met de aanbodlijn.
, We gaan uit van het pareto-optimum, hierbij is het totale surplus
maximaal en noemen we de economische uitkomst doelmatig. Dat is als 1
persoon zijn resultaat niet kan verbeteren zonder dat dit ten koste gaat van
het resultaat van iemand anders, de ruilwinst is zo hoog mogelijk en er is
zo min mogelijk opoffering van middelen. De uitkomst zegt nog niks over
de welvaartsverandering van de economie, alleen over de doelmatigheid.
We gaan ook uit van een markt met volkomen concurrentie maar die heeft
niet altijd de voorkeur.
Zo zijn de producten homogeen. Aanbieders zullen toch proberen hun
producten iets eigens te geven. Dan ontstaat er een monopolistische
concurrentie.
Het tweede nadeel is het gebrek aan innovaties. De overheid voorkomt dit
door het geven van een octrooi, dan wordt het een wettelijke monopolie.
Hoofdstuk 2 ~ De overheid grijpt in
Vrije marktwerking levert een economische doelmatige uitkomst op. De
overheid kan prijzen te laag of te hoog vinden en zelf ingrijpen.
De overheid kan op verschillende manieren ingrijpen: heffingen, subsidies,
minimumprijzen en maximumprijzen. Dit heet prijsregulering. Hierdoor
wordt het evenwicht verstoord en is er een verloren surplus, heet ook wel
deadweight loss. De overheid maakt een afweging tussen de positieve
effecten en het verlies aan doelmatigheid.
Bij een maximumprijs daalt het producentensurplus en stijgt het
consumentensurplus. Bij een minimumprijs is dit precies andersom. Het
stukje dat wegvalt is het welvaartsverlies, het heet ook wel de
Harberger-driehoek.
Je hebt ook belastingen en subsidies. Hierdoor heeft de overheid meer
inkomsten en kunnen ze de inkomensverdeling gelijker maken. Ook
kunnen ze bepaald gedrag stimuleren en ontmoedigen. De aanbodlijn zal
stijgen en er gaat surplus naar de overheid. Ook is er een deel
welvaartsverlies. Je hebt twee vormen:
● Direct -> rechtstreeks naar de persoon (belasting)
● Indirect -> Gekoppeld aan transacties (btw, accijns, door berekend in
prijzen)