Gezondheidswetenschappen: inleiding
HIV(humaan immunodificiency): virus
AIDS(aquired immonodefiency syndrome): de ziekte dat het virus kan veroorzaken
Risicogroep
- Bloedtransfusie
- Intraveneuze drugsgebruikers
- Heteroseksuele volwassenen en kinderen
Transmissie
- Moeder naar kind
- Bloed contact
- Onbeschermd seksueel contact
Niet-detecteerbaar = niet overdraagbaar
Hiv reservoir: chimpange
- RNA-virus
Non-enveloped virus = zonder membraan en kan makkelijker buiten gastcel/heer leven
Enveloped virus = met een membraan
Transmissieroutes
- Contact transmissie: via contact met dier om mens: kan direct of indirect
- Vehicle tranmisson: via water, voedsel of stof deeltjes
- Horizontale tranmissie: niezen bijvoorbeeld
- Verticale tranmissie: van moeder op kind
Risicofactoren zie plaatje powerpoint
Pathogeen = een organisme dat ziekte kan veroorzaken
- Primair pathogeen = ziekte in een gezonde gastheer
- Oppertunistische pathogeen: alleen ziekte in verzwakte gastheer
Infectie = aanwezigheid van een vermenigvuldigend organisme, hoeft niet schadelijk te zijn.
Samenlevingsvormen
- commensalism= voordelig voor indringer en niet echt voordelig of nadelig voor
gastheer
- parasitisme
- …
- …
Darmflora
- Bescherming tegen microorganismen
- Digestie en productie vitamine B en K
, - Stimuleert imuunsysteem
Ziektes darmflora
- Immunodepressie (stress, dieet, ziekten, trauma)
- Wanneer balans wordt verstoord (antibiotica)
- Verkeerde plek (E. coli en blaasontsteking)
Infectieproces
1. Enter
2. Stay in
3. Survival
4. Weefselschade
5. Transmissie
Virulentiefactoren: verzamelnaam alle pathogeeneigenschappen om verschillende stappen
infectieproces succesvol te doorlopen
Virulentie: mate van pathogeniciteit/weefselschade geproduceerd door een organisme
LD50: de dosis die nodig is om 50% van de individuen te doden
ID50: de dosis die nodig is om 50% van de individuen te infecteren
Dus een lage LD50 is heel virulent en ook een lage ID50.
HC 2
Infectieverloop
1. Zelf-limiterende infectie: wij kunne het organisme zelf uit het lichaam werken.
2. Persistente infectie: organisme blijft licht actief en iemand is dan chronisch
geinfecteerd.
3. Latente persistente infectie: je wordt er ziek van en blijft. Zoals koortslip. Kan dus
gereactiveerd worden. En allen bij reactivatie. Ben je besmettelijk.
Indeling pathogenen
1. Virussen altijd gastheercel dus obligaat intracellulair (eiwitmantel. Met erfelijk
materiaal)
2. Bacterien prokaryoten intra en extracellulair (celwand, DNA niet inn de kern, maar
geen cel organellen)
3. Parasieten eukaryoten intra en extracellulair (lijken erg op onze cellen daarom
lastig om ze te verwijderen)
- Schimmels:
- Protozoa en metazoa: eencelligen tot meercelligen
Zuigwormen
Lintwormen
Rondwormen
- Arthropoda: insecta, schurft, luizen etc.
4. PRION: proteinaceous and infectious. Een eiwit dat voorkomt op zenuwcellen.
Normale vorm niet erg maar er is dus ook een lethale vorm. Bevat geen DNA of RNA
, heeft geen acute fase dus zie je een langzaam lopende grafiek dan gaat. Het om
een prion.
Indelingen virussen
1. Genetisch materiaal DNA/RNA
2. Aan- of afwezigeheid van envelop
3. Symmetrie van de structurele eiwitten (capsid)
Envelope: door exocytose stukje membraan van de cel met zich mee waardoor er een
kapseltje omheen zit
Zonder envelope: maken het membraan kapot van de gastheercel die daardoor komt te
overlijden.
Icosahedraal = hoekige vorm virus
Helicaal = koker vormig virus
Complex = niet echt duidelijk
Je hebt veel meer RNA virussen dan DNA omdat RNA sneller kan muteren
HIV virus is apart RNA virus, 2 single
strengs. RNA codeert weer voor DNA
door z’n eigen enzym. Dit wordt
geintergreerd in ons genoom.
Retrovirussen!!!
HIV(humaan immunodificiency): virus
AIDS(aquired immonodefiency syndrome): de ziekte dat het virus kan veroorzaken
Risicogroep
- Bloedtransfusie
- Intraveneuze drugsgebruikers
- Heteroseksuele volwassenen en kinderen
Transmissie
- Moeder naar kind
- Bloed contact
- Onbeschermd seksueel contact
Niet-detecteerbaar = niet overdraagbaar
Hiv reservoir: chimpange
- RNA-virus
Non-enveloped virus = zonder membraan en kan makkelijker buiten gastcel/heer leven
Enveloped virus = met een membraan
Transmissieroutes
- Contact transmissie: via contact met dier om mens: kan direct of indirect
- Vehicle tranmisson: via water, voedsel of stof deeltjes
- Horizontale tranmissie: niezen bijvoorbeeld
- Verticale tranmissie: van moeder op kind
Risicofactoren zie plaatje powerpoint
Pathogeen = een organisme dat ziekte kan veroorzaken
- Primair pathogeen = ziekte in een gezonde gastheer
- Oppertunistische pathogeen: alleen ziekte in verzwakte gastheer
Infectie = aanwezigheid van een vermenigvuldigend organisme, hoeft niet schadelijk te zijn.
Samenlevingsvormen
- commensalism= voordelig voor indringer en niet echt voordelig of nadelig voor
gastheer
- parasitisme
- …
- …
Darmflora
- Bescherming tegen microorganismen
- Digestie en productie vitamine B en K
, - Stimuleert imuunsysteem
Ziektes darmflora
- Immunodepressie (stress, dieet, ziekten, trauma)
- Wanneer balans wordt verstoord (antibiotica)
- Verkeerde plek (E. coli en blaasontsteking)
Infectieproces
1. Enter
2. Stay in
3. Survival
4. Weefselschade
5. Transmissie
Virulentiefactoren: verzamelnaam alle pathogeeneigenschappen om verschillende stappen
infectieproces succesvol te doorlopen
Virulentie: mate van pathogeniciteit/weefselschade geproduceerd door een organisme
LD50: de dosis die nodig is om 50% van de individuen te doden
ID50: de dosis die nodig is om 50% van de individuen te infecteren
Dus een lage LD50 is heel virulent en ook een lage ID50.
HC 2
Infectieverloop
1. Zelf-limiterende infectie: wij kunne het organisme zelf uit het lichaam werken.
2. Persistente infectie: organisme blijft licht actief en iemand is dan chronisch
geinfecteerd.
3. Latente persistente infectie: je wordt er ziek van en blijft. Zoals koortslip. Kan dus
gereactiveerd worden. En allen bij reactivatie. Ben je besmettelijk.
Indeling pathogenen
1. Virussen altijd gastheercel dus obligaat intracellulair (eiwitmantel. Met erfelijk
materiaal)
2. Bacterien prokaryoten intra en extracellulair (celwand, DNA niet inn de kern, maar
geen cel organellen)
3. Parasieten eukaryoten intra en extracellulair (lijken erg op onze cellen daarom
lastig om ze te verwijderen)
- Schimmels:
- Protozoa en metazoa: eencelligen tot meercelligen
Zuigwormen
Lintwormen
Rondwormen
- Arthropoda: insecta, schurft, luizen etc.
4. PRION: proteinaceous and infectious. Een eiwit dat voorkomt op zenuwcellen.
Normale vorm niet erg maar er is dus ook een lethale vorm. Bevat geen DNA of RNA
, heeft geen acute fase dus zie je een langzaam lopende grafiek dan gaat. Het om
een prion.
Indelingen virussen
1. Genetisch materiaal DNA/RNA
2. Aan- of afwezigeheid van envelop
3. Symmetrie van de structurele eiwitten (capsid)
Envelope: door exocytose stukje membraan van de cel met zich mee waardoor er een
kapseltje omheen zit
Zonder envelope: maken het membraan kapot van de gastheercel die daardoor komt te
overlijden.
Icosahedraal = hoekige vorm virus
Helicaal = koker vormig virus
Complex = niet echt duidelijk
Je hebt veel meer RNA virussen dan DNA omdat RNA sneller kan muteren
HIV virus is apart RNA virus, 2 single
strengs. RNA codeert weer voor DNA
door z’n eigen enzym. Dit wordt
geintergreerd in ons genoom.
Retrovirussen!!!