HOOFDSTUK 1
Paragraaf 3
Er zijn verschillende bronnen van het strafrecht en strafrechtelijke kennis:
De wet
De jurisprudentie
De literatuur: verzameling van alle publicaties van afzonderlijke rechtsgeleerde
schrijvers en de verschillende opvattingen van de rechtsgeleerde schrijvers over
een bepaald juridisch strijdpunt. In die tweede betekenis wordt ook wel de term
‘doctrine’ gebruikt.
Algemene rechtsbeginselen
Verdragen en besluiten van internationale organisaties
Paragraaf 4.4
Formeel strafrecht: Alle regels betreffende de strafrechtelijke procedure. Het is geregeld
in het Wetboek van Strafrecht.
Materieel strafrecht: De regels omtrent de strafbaarstelling van gedrag. Het is geregeld
in het Wetboek van Strafvordering.
Alle aparte wetten waarin iets over materieel dan wel formeel strafrecht staat noemen
we bijzonder strafrecht. Die term wordt gebruikt omdat voor die wet, maar dan ook
alleen voor die wet, een afwijkende, aparte en dus in die zin bijzondere regeling bestaat.
Het is vastgelegd in andere wetten dan het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van
Strafvordering. Die ‘basisregelingen’ in die twee wetboeken noemen we dan het ‘gewone’
of commune strafrecht.
Anders gezegd: de regels van het commune strafrecht zijn van toepassing, tenzij voor
bepaalde delicten in bepaalde wetten daarvan wordt afgeweken. In zoverre gelden dan
die afwijkende regels welke worden aangeduid als ‘bijzonder strafrecht’.
Paragraaf 4.7
Het Nederlandse strafrecht kent een tweedeling in strafbare feiten, namelijk misdrijven
en overtredingen. Een strafbaar feit is altijd een misdrijf of overtreding. Het criterium
daarvoor is de indeling door wetaanduiding. Een strafbaar feit is een misdrijf of
overtreding omdat de wet dat zegt.
In Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht staan de misdrijven en in Boek 3 staan de
overtredingen. De plaats van de wet is dus belangrijk.
Lagere wetgevers hebben niet de bevoegdheid om de door hun gecreëerde strafbare
feiten tot misdrijven te maken. Misdrijven worden door de formele wetgever gecreëerd.
Dit heeft te maken met de status van de wetgever en met het bereik van de regelgeving
van de beide soorten wetgevers. Doordat het aanwijzen van misdrijven aan de formele
wetgever is voorbehouden, wordt zowel de rechtszekerheid als de rechtseenheid
bevorderd.
De kwalificatie als misdrijf of overtreding laat ook zien wat de zwaarte van een delict is.
Misdrijven zijn dan zwaardere delicten en overtredingen lichtere. Het onderscheid in
zwaarte tussen misdrijven en overtredingen komt ook tot uitdrukking in de strafsoort
en het maximum van de straf. De gevangenisstraf komt bijvoorbeeld alleen voor bij
1
,misdrijven. Boetes komen bij beide soorten delicten voor, maar voor misdrijven geldt er
een hogere maximumboete.
Bij overtredingen is de gedraging alleen strafbaar. De voorbereiding daarvan niet. Bij
misdrijven is de voorbereiding wel strafbaar. Bij misdrijven is er vaak ook opzet in het
spel en bij overtredingen niet.
HOOFDSTUK 2
Paragraaf 2
In de organisatorische wetten rondom het strafrecht wordt geen aandacht besteed aan
de verdachte. Dat komt doordat de verdachte in het strafproces geen taak of functie
heeft die als officiële taak of functie in de regeling van het strafprocesrecht is neergelegd.
Hij is object van de strafrechtspleging en mag zich als zodanig te weer stellen tegen de
berechtende overheid. Hij komt in de regeling van het strafprocesrecht dan ook eigenlijk
alleen maar voor als iemand die rechten en bevoegdheden krijgt om zich te verdedigen.
Ook de rol van het slachtoffer is beperkt tot zijn positie als degene die door een strafbaar
feit is getroffen. Hij heeft geen officiële taak of functie in het strafproces.
Paragraaf 3
De rechter is een lid van de rechterlijke macht. De officier van justitie is dat ook, maar is
daarbinnen lid van de organisatie die we aanduiden als het ‘openbaar ministerie’. De
organisatorische aspecten van beide organisaties zijn samen geregeld in één en dezelfde
wet, te weten de Wet op de rechterlijke organisatie. Alle rechters en alle officieren van
justitie en andere leden van het openbaar ministerie zijn gezamenlijk de ‘rechterlijke
ambtenaren’ (art. 1 Wet RO). De rechter zit altijd tijdens een terechtzitting. Daarom
wordt hij de zittende magistratuur genoemd. De officier van justitie, degene die altijd
staat als hij tegen de rechter spreekt, is de staande magistratuur.
Paragraaf 4.3.2
Er zijn in Nederland tien rechtbanken. Het rechtsgebied van een rechtbank noemen we
een arrondissement. Een arrondissement bestaat uit een aantal gemeenten. De
rechtbank houdt binnen zijn rechtsgebied zitting in een aantal zittingsplaatsen die bij
amvb worden aangewezen (art. 21b lid 1 Ro).
Er zijn in Nederland vier gerechtshoven. Het rechtsgebied van een gerechtshof heet een
ressort en omvat een aantal arrondissementen. Rechters in een gerechtshof worden
‘raadsheren’ genoemd.
Er is in Nederland één Hoge Raad der Nederlanden. Deze is gevestigd in Den Haag.
Rechters in de Hoge Raad worden ook aangeduid onder de verzamelterm ‘raadsheren’.
Alle zaken beginnen ‘in eerste aanleg’. Dat vindt altijd plaats bij de rechtbank. Daarna is
er hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof. Daarna een beroep in cassatie bij de Hoge
Raad. Een strafzaak die nog niet in eerste aanleg is behandeld, moet niet naar het
gerechtshof worden gestuurd. Wordt een zaak verkeerd aangebracht, dan zal de rechter
van het betreffende gerecht zich onbevoegd verklaren en dan wordt de zaak opnieuw,
maar dan bij het juiste gerecht aangebracht.
Elk gerecht heeft een bestuur, voorgezeten door de voorzitter die de titel van president
draagt (art. 15 lid 2 Ro). De president vertegenwoordigt het gerecht (art. 27 Wet Ro).
Het bestuur kan de rechters aanwijzingen geven (art. 24 Ro), maar niet over welke
beslissingen een rechter bij een strafzaak moet nemen: (art. 24 lid 2 Ro).
Paragraaf 4.3.3
2
,Binnen de rechtbanken worden de zware misdrijven behandeld door een kamer van
drie rechters. Dat noemen we de ‘meervoudige kamer voor strafzaken’. Lichte
misdrijven en overtredingen worden afgedaan door de ‘enkelvoudige kamer’.
Overtredingen worden berecht door de kantonrechter. Lichte misdrijfzaken worden
behandeld door de ‘politierechter’ (art. 51 Ro jo. art. 367 en 368 Sv). Anders dan de
kantonrechter, bemoeit de politierechter zich alleen met strafzaken. In de praktijk is een
rechter in een rechtbank die veel als politierechter zit, soms ook wel aangewezen als
kantonrechter zodat hij als zodanig ook strafzaken betreffende overtredingen af kan
doen. Met andere kantonrechter zaken op andere terreinen van het recht dan het
strafrecht zal deze politierechter zich dan niet bemoeien.
Bij het gerechtshof worden zaken door een meervoudige kamer behandeld (art. 411 Sv).
Bij de Hoge Raad worden strafzaken inhoudelijk door een meervoudige kamer
behandeld. Eenvoudige zaken worden behandeld door een meervoudige kamer van drie
raadsheren; ingewikkelde zaken worden behandeld door een kamer van vijf raadsheren
(art. 75 lid 2 en lid 3 Ro).
Paragraaf 4.4.1
Absolute bevoegdheid (absolute competentie): Welk soort gerecht is bevoegd.
Relatieve bevoegdheid (relatieve competentie): Welk gerecht binnen een bepaald soort
gerecht vervolgens territoriaal of anderszins bevoegd is.
Paragraaf 5.1
De leden van het openbaar ministerie worden gerekend tot de rechterlijke ambtenaren,
omdat ze bij de behandeling van strafzaken wel vanuit het algemeen belang hun werk
moeten doen. Een officier van justitie heeft de taak er voor te zorgen dat in een strafzaak
recht wordt gedaan. Zijn functievervulling dient georiënteerd te zijn op juiste toepassing
van het recht, net zoals dat voor de rechter het geval is.
Paragraaf 5.2
De rechterlijke organisatie was van oudsher regionaal georganiseerd, terwijl het
openbaar ministerie altijd al in de eerste plaats als één landelijk verband is
georganiseerd. De onafhankelijkheid van de individuele rechter om in afzonderlijke
zaken te beslissen is essentieel voor een geloofwaardige rechtspleging.
Voor het openbaar ministerie is deze onafhankelijkheid er niet. Het OM is een
hiërarchische organisatie, met het College van Procureurs-Generaal als landelijk hoofd
(art. 130 lid 1 Ro). Dat college kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan de
bij het openbaar ministerie werkzame ambtenaren (art. 130 lid 4 Ro). In art. 139 Ro is
de gezagsstructuur nader uitgewerkt. De minister van justitie heeft de bevoegdheid het
openbaar ministerie in een concrete zaak bijzondere aanwijzingen te geven (art. 127 Ro),
want hij is wel politiek verantwoordelijk voor het openbaar ministerie.
Paragraaf 5.5
Het openbaar ministerie is georganiseerd in parketten (art. 134 Ro). Dat is een groepje
leden van het openbaar ministerie.
De parket-generaal wordt gevormd door het College van Procureurs-generaal en zijn
staf. Het College is het hoofd van dat parket (art. 135 lid 5 Ro)
De groep officieren van justitie die de taken en bevoegdheden van het openbaar
ministerie uitoefenen bij de rechtbanken wordt het arrondissementsparket. Deze groep
wordt bij het gerechtshof ressortsparket genoemd.
Daarnaast is er het landelijk parket. Dat is de sectie van het openbaar ministerie dat
strafzaken op het gebied van zware en georganiseerde criminaliteit kan behandelen.
3
, Het functioneel parket is een sectie van het openbaar ministerie die zich landelijk bezig
houdt met strafzaken op financieel-economisch terrein (belastingen en sociale
zekerheid) en op terreinen als milieu, volkshuisvesting en landbouw.
In een parket werken ook ambtenaren die de leden van het openbaar ministerie van dat
parket in de uitoefening van hun taken en bevoegdheden ondersteunen. In naam en
onder verantwoordelijkheid van de functionarissen van het openbaar ministerie,
kunnen bepaalde ‘andere ambtenaren’ toch taken en bevoegdheden van de leden van
het openbaar ministerie uitoefenen. Dat heet mandaat.
Paragraaf 5.9
De taak van het openbaar ministerie is de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.
Daarbij hoort de berechting van strafbare feiten niet. De taak van het openbaar
ministerie kan onderverdeeld worden in drie taken:
Vervolging van strafbare feiten (art. 9 Sv): een strafzaak ter berechting aan de
strafrechter voorleggen. Het College van procureurs-generaal houdt toezicht op
de uitoefening van die taak van het openbaar ministerie door de diverse
functionarissen van die organisatie. Deze taak is exclusief voor het OM.
Opsporing van strafbare feiten (art. 148 lid 1, art. 148a lid 1 en art. 148b lid 1 Sv):
Ook hier houdt het College van procureurs-generaal toezicht. Deze taak wordt
niet exclusief door het OM verricht. De politie kan deze taak ook hebben.
Tenuitvoerlegging van beslissingen van de strafrechter: In de praktijk geschiedt
de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen door het
ministerie van veiligheid en justitie. Ook de politie kan meehelpen.
Paragraaf 7
De taak van de politie staat in art. 3 Politiewet 2012. Het houdt hulpverlening en
“daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde” in. De taak “zorgen voor de
daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde” kan verdeeld worden in drie taken:
Handhaving van de openbare orde (bestuursrechtelijke bevoegdheid)
Strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde (strafvorderlijke bevoegdheid)
Het verrichten van taken ten behoeve van justitie.
De politie werkt altijd in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag. Voor zover het
betreft de handhaving van de openbare orde in de gemeente en het verlenen van hulp is
de burgemeester het bevoegde gezag. Voor zover het gaat om de strafrechtelijke
handhaving van de rechtsorde en het verrichten van taken ten behoeve van justitie
wordt het bevoegd gezag gevormd door de officier van justitie. Beide autoriteiten
kunnen op hun terrein aan de ambtenaren van de politie ‘de nodige aanwijzingen’ geven:
art. 11 lid 2 respectievelijk art. 12 lid 2 PolW.
Omdat de politie met twee onderscheiden taken is belast en omdat die twee taken nauw
met elkaar samenhangen is overleg tussen de verantwoordelijke autoriteiten
noodzakelijk. Overleg over bepaald optreden, maar ook overleg over het te volgen beleid
wordt gevoerd in het 'driehoeksoverleg'. Het driehoeksoverleg vindt plaats tussen de
burgemeester, de korpschef en de hoofdofficier van justitie.
Zowel de politie als het openbaar ministerie is belast met de opsporing van strafbare
feiten. Ze zijn opsporingsambtenaren. Bij de uitoefening van deze opsporingstaak treedt
de politie op onder het gezag van het openbaar ministerie waarvan de officier van
justitie overigens zelf ook opsporingsambtenaar is.
4