Juridische kaders zorg en welzijn
Algemene informatie
Linde wittrock- de Jong
Week 1: inleiding rechten
Week 2: sociaal zekerheidsrecht
Week 3: strafrecht, jeugdstraffen en euthanasie
Week 4: minderjarigheid, ouderschap en gezag
Week 5: jeugdhulp (vrijwillig en gedwongen) en jeugdbescherming
Vakantie
Week 6: privacy en beroepsgeheim
Week 7: patiënten rechten en kwaliteitswetten in de zorg
Week 8: vertegenwoordiging, zorg en dwang
Week 9: vragen
Week 10: toets
,Je benoemt de beginselen van het Nederlands rechtssysteem.
Je past de wet- en regelgeving toe die van invloed is op de individuele cliënt/ patiënt die je ziet
binnen de context van jouw professie binnen het sociaal domein.
Je herkent de wet- en regelgeving die betrekking heeft op de uitoefening van jouw professie en bent
in staat je handelen te legitimeren op basis van deze wet- en regelgeving.
Afsluiting module door middel van een toets:
Digitaal, 10 open vragen aan de hand van 4 casussen.
75 minuten.
Open boek toets -> gebruik basisboek recht in de zorg- en welzijnssector, boek zelf meenemen naar
de toets.
Veelal week 10+ herkansing; herkansen kan ook in de week 5/6.
Niet schrijven in het boek
, Week 1: rechtsbronnen etc.
Toets informatie
Rechtsbronnen, zijn er 4 (moet je kennen!), de wet, de gewoonte, de rechtsspreek/ jurisprudentie,
het verdrag
Wat is het recht?
Verschillende soorten wetten:
1. Wet in formele zin (regering + statengeneraal)
2. Kamerbesluit (regering)
3. Ministerie regeling (minister)
4. Provinciale verordening (provincie)
5. Gemeentelijke verordening (gemeenteraad)
Grondwet is het moeilijkste om te wijzigen.
Alle wetten die wij kennen: wet in formele zin
Latere wet gaat VOOR een eerdere wet
Hogere wet gaat VOOR een lagere wet
Bijzondere wet gaat VOOR een algemene wet
De wet:
De gewoonte: vaste gedragslijn, wordt in de maatschappij als rechtvaardig ervaren.
De rechtspraak: afkomstig van de rechter -> jurisprudentie.
Alle jurisprudentie kan je nakijken, veel rechtspraak is openbaar.
Als rechter is het belangrijk om te weten wat er verandert (vooral uitspraak van hoge raad)
bijhouden.
Het verdrag: een overeenkomst tussen staten.
Kan tussen 2 of meer landen zijn, verdrag is altijd internationaal en minimaal 2 landen.
Hoe kan je het recht indelen?
Objectief recht
Regels: Van de overheid (wetten/ andere regelgeving). Uit afspraken tussen personen.
ALLE REGELS DIE IN NEDERLAND ZIJN GELDEN VOOR IEDEREEN.
- Is het geheel van geschreven en ongeschreven rechtsregels.
Subjectief recht
Uit regels en afspraken voortvloeiende rechten en plichten.
REGELS DIE UIT DE OBJECTIEVE RECHTEN VOORTVLOEIEN, MAAK JE MET EEN PERSOON.
- Is een individueel recht in het concrete geval aan de objectieve rechtsregels ontleent kan
worden.
Dwingend recht: niet afwijken van wettelijke bepalingen.
Staat in de wet of het dwingend is of niet (‘je mag hier niet van af wijken’).
Wet-/regelgeving is aanvullend -> recht is een vangnet.
Algemene informatie
Linde wittrock- de Jong
Week 1: inleiding rechten
Week 2: sociaal zekerheidsrecht
Week 3: strafrecht, jeugdstraffen en euthanasie
Week 4: minderjarigheid, ouderschap en gezag
Week 5: jeugdhulp (vrijwillig en gedwongen) en jeugdbescherming
Vakantie
Week 6: privacy en beroepsgeheim
Week 7: patiënten rechten en kwaliteitswetten in de zorg
Week 8: vertegenwoordiging, zorg en dwang
Week 9: vragen
Week 10: toets
,Je benoemt de beginselen van het Nederlands rechtssysteem.
Je past de wet- en regelgeving toe die van invloed is op de individuele cliënt/ patiënt die je ziet
binnen de context van jouw professie binnen het sociaal domein.
Je herkent de wet- en regelgeving die betrekking heeft op de uitoefening van jouw professie en bent
in staat je handelen te legitimeren op basis van deze wet- en regelgeving.
Afsluiting module door middel van een toets:
Digitaal, 10 open vragen aan de hand van 4 casussen.
75 minuten.
Open boek toets -> gebruik basisboek recht in de zorg- en welzijnssector, boek zelf meenemen naar
de toets.
Veelal week 10+ herkansing; herkansen kan ook in de week 5/6.
Niet schrijven in het boek
, Week 1: rechtsbronnen etc.
Toets informatie
Rechtsbronnen, zijn er 4 (moet je kennen!), de wet, de gewoonte, de rechtsspreek/ jurisprudentie,
het verdrag
Wat is het recht?
Verschillende soorten wetten:
1. Wet in formele zin (regering + statengeneraal)
2. Kamerbesluit (regering)
3. Ministerie regeling (minister)
4. Provinciale verordening (provincie)
5. Gemeentelijke verordening (gemeenteraad)
Grondwet is het moeilijkste om te wijzigen.
Alle wetten die wij kennen: wet in formele zin
Latere wet gaat VOOR een eerdere wet
Hogere wet gaat VOOR een lagere wet
Bijzondere wet gaat VOOR een algemene wet
De wet:
De gewoonte: vaste gedragslijn, wordt in de maatschappij als rechtvaardig ervaren.
De rechtspraak: afkomstig van de rechter -> jurisprudentie.
Alle jurisprudentie kan je nakijken, veel rechtspraak is openbaar.
Als rechter is het belangrijk om te weten wat er verandert (vooral uitspraak van hoge raad)
bijhouden.
Het verdrag: een overeenkomst tussen staten.
Kan tussen 2 of meer landen zijn, verdrag is altijd internationaal en minimaal 2 landen.
Hoe kan je het recht indelen?
Objectief recht
Regels: Van de overheid (wetten/ andere regelgeving). Uit afspraken tussen personen.
ALLE REGELS DIE IN NEDERLAND ZIJN GELDEN VOOR IEDEREEN.
- Is het geheel van geschreven en ongeschreven rechtsregels.
Subjectief recht
Uit regels en afspraken voortvloeiende rechten en plichten.
REGELS DIE UIT DE OBJECTIEVE RECHTEN VOORTVLOEIEN, MAAK JE MET EEN PERSOON.
- Is een individueel recht in het concrete geval aan de objectieve rechtsregels ontleent kan
worden.
Dwingend recht: niet afwijken van wettelijke bepalingen.
Staat in de wet of het dwingend is of niet (‘je mag hier niet van af wijken’).
Wet-/regelgeving is aanvullend -> recht is een vangnet.