Onderwerp taalbeschouwing.
Taalbeschouwing is het analyseren van taal (hoe ziet het eruit, hoe is het opgebouwd) en hoe wordt
taal gebruikt.
Niveaus van taal:
- Fonologisch niveau (klankaspecten);
- Morfologisch niveau (vrije morfemen of gebonden morfemen die betekenisverschil maken);
- Syntactisch niveau (zinsniveau);
- Semantisch niveau (betekenis);
- Pragmatisch niveau (woordkeus, formeel en informeel, spreektaal en schrijftaal);
- Orthografisch niveau (spelling, homofomen (voorbeeld rouw/rauw (je bent in de rouw of je
eet rauw vlees. Je schrijft het dus anders maar klinkt hetzelfde), homografen (voorbeeld
bedelen (geld bedelen of bedelen).
Aspecten van taal:
- Taalvariatie (dialect, sociolect (groepsafhankelijk, zoals straattaal of taal van de hockeyclub);
- Taalverandering (woorden als ‘vliegschaamte’).
- Taalnormen (je mag niet zeggen ‘groter als’);
- Taalverschijnsel (tegenstelling, synoniem).
Taalbeschouwingsonderwijs
- Formele taalbeschouwing (woord-benoemen, ontleden, kijken naar de vormaspecten);
- Semantische taalbeschouwing (woordenschat, woordrelaties zoals synoniem, etc);
- Pragmatische taalbeschouwing (nadenken over effecten van taalgebruik);
- Strategische taalbeschouwing (het kunnen toepassen van kennis over taal, bijvoorbeeld
leesstrategieën, schrijfstrategieën, woord-onthoud-strategieën).
Soorten taalbeschouwen in praktijk
- In engere zin (traditioneel grammatica onderwijs, vorm van de taal staat voorop);
- In brede zin (modern taalbeschouwingsonderwijs, aandacht voor vorm en inhoud);
- Strategisch (hoe kun je het toepassen, het ontdekken en het bewust worden van regels);
Deductieve aanpak
Deductieve lessen zijn leerkracht-gestuurd.
1. Presentatie leerinhoud door de leerkracht (b.v. hoe vind je de persoonsvorm in de zin);
2. Oefenen van de leerstof;
3. Controleren van de opdracht door de leerkracht.
Inductieve aanpak
Inductieve lessen gaan uit van het onderzoekend vermogen van kinderen en hun aangeboren
taalleervermogen. De leerkracht staat stil bij een taaluiting en deelt deze met de klas. Dit kan
mondeling of op papier. We noemen dit ook wel taalfrappanten.
De leerkracht start met een geproblematiseerd taalaanbod (verzonnen of echt). De kinderen gaan
het probleem ontdekken/benoemen en op zoek naar een oplossing/regel.
Strategieën:
- Analyseren:
• Past bij zelfontdekkend leren;