Voor elke eigenschap heb je in je lichaamscellen dus twee allelen: één van moeder en één
van vader. Anders gezegd: het genotype voor een eigenschap bestaat steeds uit twee
allelen.
bijv;
Het genotype van moeder is blauw / blauw
Het genotype van vader is bruin / bruin
Het genotype van het kind is bruin / blauw
Als de twee allelen aan elkaar gelijk zijn heet dat homozygoot.
Als de twee allelen van elkaar afwijken heet dat heterozygoot
Het overheersende allel heet dominant, het onderdrukte allel noem je recessief
BB betekent homozygoot dominant
Bb betekent heterozygoot
bb betekent homozygoot recessief
biologie paragraaf 2
Als een aandoening bepaald wordt door één gen, heet dat monogeen. Je kunt monogene
aandoeningen op verschillende manieren krijgen van je ouders
Geslachtsgebonden recesieve overerving
De aandoening ligt op het X-chromosoon en is recessief
Geslachtsgebonden dominante overerving
De aandoening ligt op het X-chromsoon en is dominant
, Biologie paragraaf 3
De eerste organismen waren blauwalgen
Vissen leven in het water en ademen met kieuwen. Ze hebben een wervelkolom en
een schedel met kaken.
Amfibieën, zoals kikkers, padden en salamanders, leven deels in het water en deels
op het land. Amfibieën hebben longen en leggen net als vissen hun eieren in het
water.
Zoogdieren hebben nagels aan hun tenen. Ze hebben een vacht en baren levende
jongen die melk zuigen bij de moeder. Ze zijn warmbloedig, dat betekent dat hun
lichaamstemperatuur constant is.
Reptielen, zoals krokodillen, hagedissen en dinosauriërs, hebben schubben als
huidbedekking. Ze leggen eieren met een leerachtige schaal en kunnen zich daardoor
op het land voortplanten.
Vogels hebben veren als huidbedekking en leggen eieren met een kalkschaal. Ze zijn,
net als zoogdieren, warmbloedig.
Na jarenlang onderzoek stelde hij vast dat:
er veel variatie binnen elke soort voorkomt
verschillende soorten veel nakomelingen hebben
niet alle nakomelingen zich voortplanten
Tussen mensen bestaat variatie in eigenschappen, als het om een erfelijke eigenschap gaat
dan spreek je van erfelijke variatie
Erfelijke variatie ontstaat doordat er voortdurend veranderingen in het DNA plaatsvinden.
Deze veranderingen noem je mutaties. Als het DNA in de voortplantingscellen van
organismen muteert, kan dat voor nieuwe eigenschappen bij de nakomelingen zorgen. Door
deze mutaties blijft er steeds variatie tussen de individuen van een soort bestaan.