1.1: methodisch werken
Methodisch werken wil zeggen doelgericht en systematisch een opdracht uitvoeren of een
probleem oplossen. Kenmerkend is het werken volgens een plan van aanpak. Vooraf
bedenken wat te doen en bewust een doel stellen is doelgericht werken.
Systematisch werken vergroot de kans op realisering van het gestelde doel en bevordert
zo de kwaliteit van het werk.
1.2: de methode
Het methodisch werken krijgt in de beroepspraktijk vorm met behulp van het 'Fasenmodel
voor Rechtstoepassing'
De SJD'er hoeft de fasen niet perse chronologisch te volgen. De pijlen geven aan wat voor
alternatieven er zijn. Zo hoeft fase 5 bijvoorbeeld niet het eindstation te zijn.
Per fase kan de SJD'er een aantal activiteiten uitvoeren zoals:
• Fase 1: Hier is vaak sprake van een intake. De vraag van de cliënt wordt
voorgelegd en het is aan de SJD'er te bepalen of hij de cliënt kan helpen of hem
moet verwijzen. Tevens is het voor de SJD'er belangrijk om de vraag helder te
hebben en zo nodig achtergrondinformatie in te zamelen.
• Fase 2: In deze fase wordt er een beschrijving gemaakt van het probleem, er
worden vragen gesteld ter verduidelijking, nagedacht over de gewenste oplossing
(dus het stellen van een doel) en een oplossingsrichting gekozen.
• Fase 3: Een planning is de weergave van een of meer voornemens over hoe, wat,
waar, wanneer en door wie bepaalde activiteiten ondernomen zullen worden om
bepaalde doelen te bereiken. Hierin hebben we te maken met de weergave van
doelen en middelen en worden er prioriteiten gesteld.
• Fase 4: Tijdens deze fase geeft SJD'er de cliënt de nodige informatie en voert taken
uit voor de cliënt, waar de cliënt niet zelf toe in staat is.
• Fase 5: De SJD'er beantwoord voor zichzelf de volgende vragen:
, • Welke doelen zijn gerealiseerd?
• Welke doelen moeten nog worden gerealiseerd?
• Hoe zijn de doelen gerealiseerd?
1.3: het Fasenmodel voor Rechtstoepassing in de beroepspraktijk
Bij de oriëntatie op het probleem zijn een aantal begrippen van belang, namelijk
• Een feit: Dat is wat werkelijk heeft plaatsgevonden en wat controleerbaar 'waar' is.
• Een gebeurtenis: Dit is een voorval, in een bepaalde omgeving en op een bepaald
tijdstip of binnen een bepaalde tijd, dat vanuit de beleving van de cliënt werkelijk
heeft plaatsgevonden, maar voor een ander geen objectief feit is.
• De relatie: Dit is de betrekking van de persoon tot feiten, gebeurtenissen en/of
personen. Tevens valt hier ook de relatie onder tussen de SJD'er en de cliënt.
Vertrouwen is hierin heel belangrijk.
1.4: technieken
Bij het uitvoeren van de fasen moet de SJD'er beschikken over de nodige technieken.
Technieken zijn vaardigheden zoals rapporteren, onderhandelen, jurisprudentie
raadplegen, verwijzen of bemiddelen die een bepaalde oefening vereisen.
De samenhang tussen methoden en technieken wordt uitgelegd aan de hand van het
volgende schema:
Elke techniek heeft een eigen methode.
1.5: methodiek
Methodiek is de kennis en kunde om het geheel van samenhangende methoden en
technieken toe te passen. Deze kennis en kunde verwijst enerzijds naar de
beroepspraktijk en anderzijds naar de wetenschappen die de theoretische basis kunnen
leveren voor de methodiek (tacit knowledge en codified knowledge). Voor de SJD'er zijn
dit sociale wetenschappen en rechtswetenschappen.
Methodologen kunnen de SJD'er leren wat hij moet doen om bepaalde feiten eenduidig te
interpreteren. Het geheel aan begrippen kan als volgt schematisch worden weergegeven: