Verstandelijke beperking
In medische context spreekt men van een stoornis, een aandoening of disorder. In
orthopedagogische context wordt er meer accent gelegd op ondersteuningsbehoefte en
maatschappelijke positionering zoals in het burgerschapsmodel.
Medische classificatiesystemen zoals de International Classification of Diseases (ICD) en de
Diagnostic Statistic Manual (DSM), typeren het begrip mentale retardatie als geestelijke
achterstand en als ontwikkelingsstoornis. Mentale retardatie verwijst naar een blijvende
afwijking, waarbij met name de verstandelijke vermogens achterblijven, vertraagd en
onvoldoende ontwikkeld worden en niet boven een bepaald verstandelijk
ontwikkelingsniveau uitkomen. Het begrip mentaal verwijst naar het begrip intelligentie en
naar de statistische verdeling van intelligentie in de algemene populatie. Deze statische
verdeling volgt de normale verdeling. De uitkomsten van gestandaardiseerde
intelligentietest volgen ook de normale verdeling. Een uitslag lager dan 2 standaarddeviaties
beneden het gemiddelde vormt het intelligentiecriterium om te spreken van een significante
beperking in de intelligentie, anders gezegd: een beperking in het verstandelijke
functioneren.
Licht beperkt 50-69
Matig beperkt 35-49
Ernstig beperkt 20-34
Zeer ernstig beperkt Lager dan 20
Deze indeling volgt globaal de standaarddeviaties. Bij de meeste tests is deze 15 punten.
Deze ruimte in cijfers geeft al aan dat het om benaderende waarden gaat.
De DSM-5 gebruikt bij de classificatie van verschillende niveaus van ernst van de beperking
de termen ‘mild’, ‘moderate’, ‘severe’ en ‘profound’. De makers zeggen dat de niveaus zijn
gebaseerd op het aanpassend functioneren en niet op de IQ scores, omdat aanpassend
vermogen de mate van ondersteuning bepaalt.
Een significante beperking van de intelligentie wordt formeel vastgesteld aan de hand van
het IQ. De verdeling van de IQ-scores volgt een normaalverdeling. Het gemiddelde IQ is
gesteld op 100.
Naast het intelligentiecriterium hanteren de DSM-4 en DSM-5 nog een tweede en derde
criterium. Het tweede criterium luidt: ‘gelijktijdig aanwezige tekorten in of beperkingen van
het huidige aanpassingsgedrag’ dat wil zeggen: of de persoon erin slaagt te voldoen aan de
standaarden van functioneren die bij zijn leeftijd verwacht kunnen worden binnen zijn
culturele achtergrond. Ook moeten er volgens DSM-4 problemen zijn op ten minste twee
van de volgende terreinen: communicatie, zelfverzorging, zelfstandig kunnen wonen, sociale
en rationele vaardigheden, gebruik maken van gemeenschapsvoorzieningen, zelfstandig
beslissingen nemen, functionele intellectuele vaardigheden, werk, ontspanning, gezondheid
en veiligheid. In de DSM-5 zijn de volgende terreinen benoemd in relatie tot het tweede
criterium: communicatie, sociale participatie en zelfstandigheid in de levensgebieden thuis,
school, werk en samenleving.
Het derde criterium houdt in dat beperking is ontstaan voor 18 jaar. ‘de intellectuele en
adaptieve beperkingen moeten zijn ontstaan tijdens de ontwikkelingsperiode Geen leeftijd
In medische context spreekt men van een stoornis, een aandoening of disorder. In
orthopedagogische context wordt er meer accent gelegd op ondersteuningsbehoefte en
maatschappelijke positionering zoals in het burgerschapsmodel.
Medische classificatiesystemen zoals de International Classification of Diseases (ICD) en de
Diagnostic Statistic Manual (DSM), typeren het begrip mentale retardatie als geestelijke
achterstand en als ontwikkelingsstoornis. Mentale retardatie verwijst naar een blijvende
afwijking, waarbij met name de verstandelijke vermogens achterblijven, vertraagd en
onvoldoende ontwikkeld worden en niet boven een bepaald verstandelijk
ontwikkelingsniveau uitkomen. Het begrip mentaal verwijst naar het begrip intelligentie en
naar de statistische verdeling van intelligentie in de algemene populatie. Deze statische
verdeling volgt de normale verdeling. De uitkomsten van gestandaardiseerde
intelligentietest volgen ook de normale verdeling. Een uitslag lager dan 2 standaarddeviaties
beneden het gemiddelde vormt het intelligentiecriterium om te spreken van een significante
beperking in de intelligentie, anders gezegd: een beperking in het verstandelijke
functioneren.
Licht beperkt 50-69
Matig beperkt 35-49
Ernstig beperkt 20-34
Zeer ernstig beperkt Lager dan 20
Deze indeling volgt globaal de standaarddeviaties. Bij de meeste tests is deze 15 punten.
Deze ruimte in cijfers geeft al aan dat het om benaderende waarden gaat.
De DSM-5 gebruikt bij de classificatie van verschillende niveaus van ernst van de beperking
de termen ‘mild’, ‘moderate’, ‘severe’ en ‘profound’. De makers zeggen dat de niveaus zijn
gebaseerd op het aanpassend functioneren en niet op de IQ scores, omdat aanpassend
vermogen de mate van ondersteuning bepaalt.
Een significante beperking van de intelligentie wordt formeel vastgesteld aan de hand van
het IQ. De verdeling van de IQ-scores volgt een normaalverdeling. Het gemiddelde IQ is
gesteld op 100.
Naast het intelligentiecriterium hanteren de DSM-4 en DSM-5 nog een tweede en derde
criterium. Het tweede criterium luidt: ‘gelijktijdig aanwezige tekorten in of beperkingen van
het huidige aanpassingsgedrag’ dat wil zeggen: of de persoon erin slaagt te voldoen aan de
standaarden van functioneren die bij zijn leeftijd verwacht kunnen worden binnen zijn
culturele achtergrond. Ook moeten er volgens DSM-4 problemen zijn op ten minste twee
van de volgende terreinen: communicatie, zelfverzorging, zelfstandig kunnen wonen, sociale
en rationele vaardigheden, gebruik maken van gemeenschapsvoorzieningen, zelfstandig
beslissingen nemen, functionele intellectuele vaardigheden, werk, ontspanning, gezondheid
en veiligheid. In de DSM-5 zijn de volgende terreinen benoemd in relatie tot het tweede
criterium: communicatie, sociale participatie en zelfstandigheid in de levensgebieden thuis,
school, werk en samenleving.
Het derde criterium houdt in dat beperking is ontstaan voor 18 jaar. ‘de intellectuele en
adaptieve beperkingen moeten zijn ontstaan tijdens de ontwikkelingsperiode Geen leeftijd