Ik denk dus ik ben niet
Michel Foucault, een van de belangrijkste denkers van de twintigste eeuw, past in de typisch
Franse traditie van de ‘intellectueel’, de traditie van denkers die ‘filosofie’ opvatten als het
kritisch stelling nemen in allerlei actuele kwesties. Volgens Foucault was het een bijna
komische vergissing dat de mens zich zag als oorsprong, centrum en doel van het universum.
Descartes’ beroemde adagium ‘ik denk dus ik ben’ draaide hij liever om.
Niet het ‘ik’, maar anonieme structuren bepalen wat wij doen. Deze ideeën werden
verkondigd door een groep Franse wetenschappers: Claude Lévi-Strauss, Michel Foucault en
Jacques Lacan. Ze bestreken een breed terrein van sociologie, filosofie, geschiedenis,
psychoanalyse, taal- en literatuurwetenschap. Foucault heeft een boek geschreven: Les mots
et les choses (de woorden en de dingen, 1966). In dit boek zoekt hij naar de grondslagen
waarop onze kennis berust. Hij noemt dat ‘archeologie’. In zijn boek onderzoekt hij wat de
principes zijn van waaruit de menswetenschappen (biologie, taalwetenschap en economie)
worden gedacht. Zijn onderzoek strekt zich uit van de 16e eeuw tot nu. Foucault beheerst al
die wetenschappen grondig en hij trekt grote lijnen uit hun onderlinge vergelijking. Zijn
conclusie luidt dat alle wetenschappen in een bepaalde periode, meer op elkaar lijken dan
op diezelfde wetenschap een eeuw vroeger of later. De ‘grond’ van waaruit ze denken (hun
‘episteme’) is identiek. Bijvoorbeeld de wetenschappen in de late middeleeuwen. Ze werden
geheel bepaald door het denken in overeenkomsten en gelijkenissen. De microkosmos was
een weerspiegeling van de macrokosmos, de aarde van de hemel, de mens van God enz.
alles leek op alles. 1 ding kennen betekende dat je het spel van analogieën begreep op de
grond waarvan dat ding samenhing met alle andere dingen waar het op leek.
In het midden van de 17e eeuw kantelt deze grondslag. Niet langer is het de gelijkenis die
kennis oplevert, maar de vergelijking. Onderwerpen van kennis worden vanaf dat moment
geordend in een systeem op grond van hun onderlinge overeenkomsten en verschillen. Het
is de tijd van de grammatica’s, de tijd waarin woordsoorten van elkaar worden
onderscheiden en in tabellen worden weergegeven, het is de tijd van Linnaeus, die een
magistrale classificatie maakt van planten en dieren op basis van hun voortplantingsorganen.
Linaeus’ onderzoek is het sprekendste voorbeeld van wat deze ‘klassieke episteme’
nastreeft, namelijk het in kaart brengen, ordenen, classificeren, volgens zichtbare verschillen
en overeenkomsten.
Aan het begin van de 19e eeuw kantelt deze ‘klassieke’ episteme, om plaats te maken voor
een episteme die gedomineerd wordt door ‘geschiedenis’. Hield de taalkunde zich tot die tijd
bezig met de vraag welke overeenkomsten en verschillen er bestaan tussen taalvormen,
vanaf het midden van de 19e eeuw vraagt men zich af hoe deze vormen zich in de loop van
de tijd hebben ontwikkeld. In deze economie verdedigde Marx deze geheel nieuwe optiek
met zijn historisch materialisme. De biologie (Lamarck, Darwin) keek niet langer naar de
uiterlijke kenmerken op grond waarvan planten en dieren kunnen worden gedetermineerd,
maar naar de manier waarop ze zijn geëvolueerd. De biologen zijn in deze nieuwe episteme
op zoek naar sporen van vorige fasen in de evolutie van dier of plant. Wat ‘waar’ was in de
vorige episteme is niet langer ‘waar’ in de volgende. Wetenschappen zijn volgens Foucault
niet op zoek naar de waarheid, maar sluiten zich aan bij de heersende episteme. Het
onderzoek dat op al deze gebieden wordt uitgevoerd is meer of minder ‘waar’ naarmate het
Aanbevolen
Michel Foucault, een van de belangrijkste denkers van de twintigste eeuw, past in de typisch
Franse traditie van de ‘intellectueel’, de traditie van denkers die ‘filosofie’ opvatten als het
kritisch stelling nemen in allerlei actuele kwesties. Volgens Foucault was het een bijna
komische vergissing dat de mens zich zag als oorsprong, centrum en doel van het universum.
Descartes’ beroemde adagium ‘ik denk dus ik ben’ draaide hij liever om.
Niet het ‘ik’, maar anonieme structuren bepalen wat wij doen. Deze ideeën werden
verkondigd door een groep Franse wetenschappers: Claude Lévi-Strauss, Michel Foucault en
Jacques Lacan. Ze bestreken een breed terrein van sociologie, filosofie, geschiedenis,
psychoanalyse, taal- en literatuurwetenschap. Foucault heeft een boek geschreven: Les mots
et les choses (de woorden en de dingen, 1966). In dit boek zoekt hij naar de grondslagen
waarop onze kennis berust. Hij noemt dat ‘archeologie’. In zijn boek onderzoekt hij wat de
principes zijn van waaruit de menswetenschappen (biologie, taalwetenschap en economie)
worden gedacht. Zijn onderzoek strekt zich uit van de 16e eeuw tot nu. Foucault beheerst al
die wetenschappen grondig en hij trekt grote lijnen uit hun onderlinge vergelijking. Zijn
conclusie luidt dat alle wetenschappen in een bepaalde periode, meer op elkaar lijken dan
op diezelfde wetenschap een eeuw vroeger of later. De ‘grond’ van waaruit ze denken (hun
‘episteme’) is identiek. Bijvoorbeeld de wetenschappen in de late middeleeuwen. Ze werden
geheel bepaald door het denken in overeenkomsten en gelijkenissen. De microkosmos was
een weerspiegeling van de macrokosmos, de aarde van de hemel, de mens van God enz.
alles leek op alles. 1 ding kennen betekende dat je het spel van analogieën begreep op de
grond waarvan dat ding samenhing met alle andere dingen waar het op leek.
In het midden van de 17e eeuw kantelt deze grondslag. Niet langer is het de gelijkenis die
kennis oplevert, maar de vergelijking. Onderwerpen van kennis worden vanaf dat moment
geordend in een systeem op grond van hun onderlinge overeenkomsten en verschillen. Het
is de tijd van de grammatica’s, de tijd waarin woordsoorten van elkaar worden
onderscheiden en in tabellen worden weergegeven, het is de tijd van Linnaeus, die een
magistrale classificatie maakt van planten en dieren op basis van hun voortplantingsorganen.
Linaeus’ onderzoek is het sprekendste voorbeeld van wat deze ‘klassieke episteme’
nastreeft, namelijk het in kaart brengen, ordenen, classificeren, volgens zichtbare verschillen
en overeenkomsten.
Aan het begin van de 19e eeuw kantelt deze ‘klassieke’ episteme, om plaats te maken voor
een episteme die gedomineerd wordt door ‘geschiedenis’. Hield de taalkunde zich tot die tijd
bezig met de vraag welke overeenkomsten en verschillen er bestaan tussen taalvormen,
vanaf het midden van de 19e eeuw vraagt men zich af hoe deze vormen zich in de loop van
de tijd hebben ontwikkeld. In deze economie verdedigde Marx deze geheel nieuwe optiek
met zijn historisch materialisme. De biologie (Lamarck, Darwin) keek niet langer naar de
uiterlijke kenmerken op grond waarvan planten en dieren kunnen worden gedetermineerd,
maar naar de manier waarop ze zijn geëvolueerd. De biologen zijn in deze nieuwe episteme
op zoek naar sporen van vorige fasen in de evolutie van dier of plant. Wat ‘waar’ was in de
vorige episteme is niet langer ‘waar’ in de volgende. Wetenschappen zijn volgens Foucault
niet op zoek naar de waarheid, maar sluiten zich aan bij de heersende episteme. Het
onderzoek dat op al deze gebieden wordt uitgevoerd is meer of minder ‘waar’ naarmate het
Aanbevolen