Paragraaf 3.2 Amsterdam stapelmarkt van de wereld.
In 1200 was Amsterdam nog onbereikbaar voor grote schepen.
Het klimaat werd steeds warmer waardoor de zeespiegel steeg.
Grote schepen konden daardoor Amsterdam toen wel bereiken.
De economie groeide.
Het stadsbestuur maakte een uitbreidingsplan en er werden grachten
gegraven, zoals de Herengracht en de Keizersgracht.
Aan die grachten bouwden ze koopmanshuizen met een zolder voor
opslag van goederen.
Gewone mensen gingen buiten de grachtengordel wonen.
Voortaan woonden en werkten rijk en arm apart in Amsterdam.
In de beurs (= plek of gebouw waar kooplui onderling handeldrijven) in
het centrum werd handelgedreven.
De verstedelijking nam toe waardoor de boeren niet iedereen meer
konden voorzien van graan dus gingen ze graan importeren uit landen
rond de Oostzee zoals polen en zweden.
Dat graan lag opgeslagen in de graanpakhuizen.
Uit het oosten namen handelaren ijzer en hout mee en sloegen dat op
in de pakhuizen.
De Oostzeehandel werd moeder van alle handel genoemd =
moedernegotie (= de eerste en eeuwenlang belangrijkste
internationale handel van Nederlandse met de landen rond de Oostzee)
Omdat alle goederen uit Afrika en Azië opgeslagen werden in
Amsterdamse pakhuizen werd Amsterdam de stapelmarkt van Europa
genoemd.
De nijverheid groeide in de hele republiek dus niet alleen in de steden.
Ook boeren op het platteland gingen op de markt werken en gingen
van alleen graanbouw ook veeteelt doen, deze marktgerichte
bedrijvigheid noemen ze commerciële landbouw (= boeren werken
voor de nijverheid of voor de export en niet alleen meer voor eigen
dorp of streek.
De binnenvaart groeide en werd gemoderniseerd met onder anderen
trekschuiten, er was een hele dienstregeling die van stad tot stad en
regio tot regio op elkaar aansloot.
Er reden ook koetsen van post naar post, die noem je postkoetsen.
, De gouden Eeuw (= naam die later is bedacht voor de lange periode van
voorspoed en welvaart voor de republiek in de 17e eeuw) dankt zijn
naam aan de lange periode van voorspoed en welvaart.
Je kon alle producten kopen op de stapelmarkt.
Amsterdamse handelaren kochten dit over de hele wereld.
Handelskapitalisme betekent rijk worden (kapitaal = veel geld) door de handel.
Omdat handelaren hun producten uit de hele wereld haalden en dit konden
verkopen op de stapelmarkt, daardoor werden ze heel rijk.
In 1200 was Amsterdam nog onbereikbaar voor grote schepen.
Het klimaat werd steeds warmer waardoor de zeespiegel steeg.
Grote schepen konden daardoor Amsterdam toen wel bereiken.
De economie groeide.
Het stadsbestuur maakte een uitbreidingsplan en er werden grachten
gegraven, zoals de Herengracht en de Keizersgracht.
Aan die grachten bouwden ze koopmanshuizen met een zolder voor
opslag van goederen.
Gewone mensen gingen buiten de grachtengordel wonen.
Voortaan woonden en werkten rijk en arm apart in Amsterdam.
In de beurs (= plek of gebouw waar kooplui onderling handeldrijven) in
het centrum werd handelgedreven.
De verstedelijking nam toe waardoor de boeren niet iedereen meer
konden voorzien van graan dus gingen ze graan importeren uit landen
rond de Oostzee zoals polen en zweden.
Dat graan lag opgeslagen in de graanpakhuizen.
Uit het oosten namen handelaren ijzer en hout mee en sloegen dat op
in de pakhuizen.
De Oostzeehandel werd moeder van alle handel genoemd =
moedernegotie (= de eerste en eeuwenlang belangrijkste
internationale handel van Nederlandse met de landen rond de Oostzee)
Omdat alle goederen uit Afrika en Azië opgeslagen werden in
Amsterdamse pakhuizen werd Amsterdam de stapelmarkt van Europa
genoemd.
De nijverheid groeide in de hele republiek dus niet alleen in de steden.
Ook boeren op het platteland gingen op de markt werken en gingen
van alleen graanbouw ook veeteelt doen, deze marktgerichte
bedrijvigheid noemen ze commerciële landbouw (= boeren werken
voor de nijverheid of voor de export en niet alleen meer voor eigen
dorp of streek.
De binnenvaart groeide en werd gemoderniseerd met onder anderen
trekschuiten, er was een hele dienstregeling die van stad tot stad en
regio tot regio op elkaar aansloot.
Er reden ook koetsen van post naar post, die noem je postkoetsen.
, De gouden Eeuw (= naam die later is bedacht voor de lange periode van
voorspoed en welvaart voor de republiek in de 17e eeuw) dankt zijn
naam aan de lange periode van voorspoed en welvaart.
Je kon alle producten kopen op de stapelmarkt.
Amsterdamse handelaren kochten dit over de hele wereld.
Handelskapitalisme betekent rijk worden (kapitaal = veel geld) door de handel.
Omdat handelaren hun producten uit de hele wereld haalden en dit konden
verkopen op de stapelmarkt, daardoor werden ze heel rijk.