Hoofdstuk 1 De grote recessie
Recessie = negatieve economische groei gedurende twee kwartalen
𝑏𝑒𝑠𝑝𝑎𝑟𝑖𝑛𝑔𝑒𝑛
𝑆𝑝𝑎𝑎𝑟𝑞𝑢𝑜𝑡𝑒 = ∗ 100
𝐵𝐵𝐼
Het deel van het totale inkomen dat wordt gespaard
BBI = bruto binnenlands inkomen
Vermogensmarkt
Geldmarkt Kapitaalmarkt
< 2 jaar > 2 jaar
Kortlopend
krediet Hypotheken/
onroerend goed
(crediteuren)
Aandelen
Obligaties
Analyse principaal-agent relatie:
1. Wie is principaal en wie is agent?
2. Waarin hebben de partijen een conflicterend belang/doel? (streven naar
eigenbelang)
3. Asymmetrische informatie → op welke wijze heeft de agent meer informatie dan de
principaal (oplossen kan door prikkelcontracten)
Risico bij obligatie:
- Wantbetaling (debiteurenrisico)
- Inflatie
Risico obligatie stijgt → aanbieders willen gecompenseerd worden → rente stijgt
Verklaring stijgende rente via de vermogensmarkt:
Risico stijgt → aanbod kapitaal daalt → Wanneer de vraag naar kapitaal stijgt/gelijk blijft →
rente stijgt
Geldillusie = de neiging van mensen om over geld te in nominale termen en niet in reële
termen te denken. De waarde van het geld wordt verkeerd ingeschat.
, Hypotheken
Hypotheekgever: eigenaar
Hypotheeknemer: bank
Onderwaterhypotheek = de hoogte van de hypothecaire lening is hoger dan de waarde van
het huis
Prijsveranderingen
Selffulfilling prophecy = een voorspelling die uitkomt, omdat mensen zich ernaar gaan
gedragen
Aanhoudende prijsstijgingen lokken speculatieve vraag uit. Zeepbellen ontstaan wanneer de
prijzen niet langer de werkelijke waarde uitdrukken.
Kans op zeepbellen bij aandelen
Een verwachte koersstijging lokt nieuwe beleggers tot de markt, door het beperkte aanbod
stijgt de koers.
Wanneer de koers/winst verhouding te hoog wordt kan er sprake zijn van een zeepbel.
Koersen van aandelen reageren op winstverwachtingen
𝑂𝑝𝑏𝑟𝑒𝑛𝑔𝑠𝑡 𝑣𝑎𝑛 𝑎𝑎𝑛𝑑𝑒𝑙𝑒𝑛 = 𝑘𝑜𝑒𝑟𝑠𝑤𝑖𝑛𝑠𝑡 + 𝑑𝑖𝑣𝑖𝑑𝑒𝑛𝑑
𝑡𝑜𝑡𝑎𝑎𝑙 𝑜𝑝𝑏𝑟𝑒𝑛𝑔𝑠𝑡𝑒𝑛
𝑅𝑒𝑛𝑑𝑒𝑚𝑒𝑛𝑡 = ∗ 100%
𝑔𝑒ï𝑣𝑒𝑠𝑡𝑒𝑒𝑟𝑑𝑒 𝑏𝑒𝑑𝑟𝑎𝑔
Rente stijgt → investeren wordt duurder → winstverwachtingen dalen → aandelenkoersen
dalen → vraag daalt, aanbod stijgt
De koers van een obligatie hangt niet alleen af van de risico’s, maar ook van de beloning die
beleggers in de markt kunnen verdienen
𝑂𝑝𝑏𝑟𝑒𝑛𝑔𝑠𝑡 𝑣𝑎𝑛 𝑜𝑏𝑙𝑖𝑔𝑎𝑡𝑖𝑒𝑠 = 𝑘𝑜𝑒𝑟𝑠𝑤𝑖𝑛𝑠𝑡 + 𝑟𝑒𝑛𝑡𝑒
Rente stijgt → beleggers willen minder betalen voor een bestaande obligatie met een lagere
vaste rente → koers daalt → vraag daalt, aanbod stijgt
Redenen stijging huizenprijzen:
- Men gaat nu kopen, omdat men verwacht dat de huizenprijzen verder gaan stijgen
- Rente is laag dus mensen kunnen meer lenen en hebben meer te besteden
- Aantal beleggers in ontroerend goed stijgt
- Er is een beperkt aantal aanbod van woningen
- Hypotheekrente aftrek
Rente daalt → risico daalt → lenen wordt goedkoper → vertrouwen stijgt → investeringen
stijgen → winstverwachtingen stijgen → vraag naar aandelen stijgt, aandelenkoersen stijgen
Hefboomwerking = verschijnsel dat over het vreemd vermogen winst of verlies wordt
gemaakt waardoor het rendement over het eigen vermogen groter of kleiner wordt.
Geldschepping = vergroting van de maatschappelijke geldhoeveelheid, bijvoorbeeld door
girale kredietverlening of door uitgifte van nieuwe munten of bankbiljetten door de centrale
bank
Liquiditeit = de mate waarin een bedrijf de kortlopende verplichtingen kan nakomen