Tijdvak 2: Tijd van Grieken en Romeinen (3000 v.C.-500 n.C)
Ka 4: De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en
politiek in de Griekse stadstaat.
Ka 5: De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in
Europa verspreidde
Ka 6: De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur
Ka 7: De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van
Noordwest-Europa.
Ka 8: de ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische
godsdiensten.
2.1 De Griekse democratie
Athene had een volksvergadering, ook wel democratie genoemd. Dit bestond uit alle
Atheense mannen die geen slaaf waren (directe democratie). Dit kon alleen worden
mogelijk gemaakt als er niet te veel burgers zijn. Ze hadden burgerrecht. Vroeger werd
Athene geregeerd door koningen en adel (aristocratie), ook is er een tiran geweest, dit
wilden ze niet meer, vandaar dat er een volksvergadering kwam. Boeren werden steeds
belangrijker, ze hadden invloed geëist en gekregen bij beslissingen over oorlog en vrede.
Om gelijkheid te garanderen werd de democratie zo ingericht dat niemand de macht kon
heroveren:
- Elke maand 50 nieuwe raadsleden
- Rechtspraak bij volksjury -> door lot bepaald
- De generaals van het leger werden elk jaar opnieuw gekozen
- Volksvergadering kon ‘schervengericht’ houden, ook wel ostracisme genoemd
Griekse filosofie werd steeds belangrijker. Er kwamen vragen over hoe de natuur is
opgebouwd. De natuur is voortdurend in beweging, de ander dacht dat alles uit kleine
deeltjes was opgebouwd. Ze gebruikte de kennis van Egypte en Mesopotamië.
Belangrijke filosofen:
Socrates: ‘ik weet niets, behalve dat ik niets weet’. Hij zou met zijn kritiek op de
goden jongeren hebben bedorven. Hij was kritisch op de democratie
Plato (leerling van Socrates): Hij vond dat burgers zich vaak lieten misleiden en dat de
meerderheid niet altijd gelijk had.
Aristoteles (leerling van Plato): kritisch op de democratie. Hij wilde een trias politica
en vond kennis belangrijk om tot de juiste beslissingen te komen. Hij richtte zich
vooral op verzamelen en systematisch opschrijven van kennis (plato deed dit niet)
2.2 Het hellenisme
Alexander de Grote veroverde veel gebieden, deze veroveringsdrang had hij geërfd van zijn
vader koning Philippus van Macedonië, die heel Griekenland onder zijn heerschappij had
gebracht. Alexander veroverde het hele Perzische rijk. Dit was knap omdat hij de soldaten
telkens weer motiveerde om door te gaan vechten en Alexander handhaafde de macht in
deze gebieden.
Waarom kon Alexander zo een groot gebied veroveren en handhaven?
, - Doorzettingsvermogen, zelfverzekerd, militair inzicht, strateeg (-> hij was het grote
leger van Darius te slim af), wispelturig (-> wreed en vrijgevig)
- Hij speelde goed in op de gewoonten in landen waarover hij regeerde
o Griekenland: Hij stond aan het hoofd van het Griekse leger en zou de Griekse
steden in Azië bevrijden van de Perzische overheersing -> hij won: goodwill en
militaire steun
o Egypte: hij werd de nieuwe farao en nam in het Perzische rijk de bestaande
bestuursstructuur over.
- Alexander streef naar een gemengde elite; hij stichtte overal in zijn rijk op strategisch
plekken nieuwe steden, Alexandrië genoemd. Hier kwamen Griekse en
Macedonische soldaten te wonen die zich met de lokale bevolking zouden
vermengen. Zo wilde Alexander voorkomen dat zijn rijk uit losse brokken zou
bestaan.
Na Alexander zijn dood namen de generaals het rijk over, dit mislukte want in de tussentijd
kwamen de Romeinen om het rijk in te nemen. Dit was het einde van een democratie en het
begin van een oligarchie.
De Griekse cultuur raakte verspreid door migratie van Grieken naar het oosten en de
stichting van Griekse steden. Dit noemen we hellenisme.
- Grieks werd de bestuurstaal en er kwamen Griekse bestuursorganen
- Bestuur veranderde in Perzische rijk
- Steden in het oosten kregen een Grieks uiterlijk (Egypte, Azië), denk aan Griekse
mythen en literatuur, nieuwe sporten
- Verspreiding van de kunst: beeldhouwwerk en schilderingen, perfecte anatomie
Aan de onderkant van de samenleving bleven de mensen de lokale volkstaal spreken en
leefde de inheemse cultuur voort.
2.3 De Romeinse Republiek
Het was nooit geplannt om een groot Romeins Rijk te stichten. De behoefte aan veiligheid,
roem en macht stimuleerde het wel. De uitbreiding zorgde voor veel inkomsten (belasting)
en nieuw landbouwgrond.
Hoe kon het Romeins Imperium zich zo ver uitbreiden?
Goede diplomatie: bondgenootschappen met lokale heersers (vb. veiligheid –
soldaten, gehoorzaamheid)
Goede oorlogvoering: verharde wegen en legerkampen, fatsoenlijke behandeling
tegenover verslagen volken
Soms kregen zij burgerrecht; gaf aanzien en voorrechten
Rome is een republiek en werd eeuwenlang geleid door magistraten. De senaat in de
republiek nam elk jaar twee leden tot consul aan. Ze konden elkaars beslissingen d.m.v. een
veto dwarsbomen. Alleen elite had toegang tot de senaat, dus Rome was minder
democratisch dan Athene.
Toch waren er wel een paar bestuurssysteem mechanismen ingebouwd:
Ka 4: De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en
politiek in de Griekse stadstaat.
Ka 5: De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in
Europa verspreidde
Ka 6: De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur
Ka 7: De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van
Noordwest-Europa.
Ka 8: de ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische
godsdiensten.
2.1 De Griekse democratie
Athene had een volksvergadering, ook wel democratie genoemd. Dit bestond uit alle
Atheense mannen die geen slaaf waren (directe democratie). Dit kon alleen worden
mogelijk gemaakt als er niet te veel burgers zijn. Ze hadden burgerrecht. Vroeger werd
Athene geregeerd door koningen en adel (aristocratie), ook is er een tiran geweest, dit
wilden ze niet meer, vandaar dat er een volksvergadering kwam. Boeren werden steeds
belangrijker, ze hadden invloed geëist en gekregen bij beslissingen over oorlog en vrede.
Om gelijkheid te garanderen werd de democratie zo ingericht dat niemand de macht kon
heroveren:
- Elke maand 50 nieuwe raadsleden
- Rechtspraak bij volksjury -> door lot bepaald
- De generaals van het leger werden elk jaar opnieuw gekozen
- Volksvergadering kon ‘schervengericht’ houden, ook wel ostracisme genoemd
Griekse filosofie werd steeds belangrijker. Er kwamen vragen over hoe de natuur is
opgebouwd. De natuur is voortdurend in beweging, de ander dacht dat alles uit kleine
deeltjes was opgebouwd. Ze gebruikte de kennis van Egypte en Mesopotamië.
Belangrijke filosofen:
Socrates: ‘ik weet niets, behalve dat ik niets weet’. Hij zou met zijn kritiek op de
goden jongeren hebben bedorven. Hij was kritisch op de democratie
Plato (leerling van Socrates): Hij vond dat burgers zich vaak lieten misleiden en dat de
meerderheid niet altijd gelijk had.
Aristoteles (leerling van Plato): kritisch op de democratie. Hij wilde een trias politica
en vond kennis belangrijk om tot de juiste beslissingen te komen. Hij richtte zich
vooral op verzamelen en systematisch opschrijven van kennis (plato deed dit niet)
2.2 Het hellenisme
Alexander de Grote veroverde veel gebieden, deze veroveringsdrang had hij geërfd van zijn
vader koning Philippus van Macedonië, die heel Griekenland onder zijn heerschappij had
gebracht. Alexander veroverde het hele Perzische rijk. Dit was knap omdat hij de soldaten
telkens weer motiveerde om door te gaan vechten en Alexander handhaafde de macht in
deze gebieden.
Waarom kon Alexander zo een groot gebied veroveren en handhaven?
, - Doorzettingsvermogen, zelfverzekerd, militair inzicht, strateeg (-> hij was het grote
leger van Darius te slim af), wispelturig (-> wreed en vrijgevig)
- Hij speelde goed in op de gewoonten in landen waarover hij regeerde
o Griekenland: Hij stond aan het hoofd van het Griekse leger en zou de Griekse
steden in Azië bevrijden van de Perzische overheersing -> hij won: goodwill en
militaire steun
o Egypte: hij werd de nieuwe farao en nam in het Perzische rijk de bestaande
bestuursstructuur over.
- Alexander streef naar een gemengde elite; hij stichtte overal in zijn rijk op strategisch
plekken nieuwe steden, Alexandrië genoemd. Hier kwamen Griekse en
Macedonische soldaten te wonen die zich met de lokale bevolking zouden
vermengen. Zo wilde Alexander voorkomen dat zijn rijk uit losse brokken zou
bestaan.
Na Alexander zijn dood namen de generaals het rijk over, dit mislukte want in de tussentijd
kwamen de Romeinen om het rijk in te nemen. Dit was het einde van een democratie en het
begin van een oligarchie.
De Griekse cultuur raakte verspreid door migratie van Grieken naar het oosten en de
stichting van Griekse steden. Dit noemen we hellenisme.
- Grieks werd de bestuurstaal en er kwamen Griekse bestuursorganen
- Bestuur veranderde in Perzische rijk
- Steden in het oosten kregen een Grieks uiterlijk (Egypte, Azië), denk aan Griekse
mythen en literatuur, nieuwe sporten
- Verspreiding van de kunst: beeldhouwwerk en schilderingen, perfecte anatomie
Aan de onderkant van de samenleving bleven de mensen de lokale volkstaal spreken en
leefde de inheemse cultuur voort.
2.3 De Romeinse Republiek
Het was nooit geplannt om een groot Romeins Rijk te stichten. De behoefte aan veiligheid,
roem en macht stimuleerde het wel. De uitbreiding zorgde voor veel inkomsten (belasting)
en nieuw landbouwgrond.
Hoe kon het Romeins Imperium zich zo ver uitbreiden?
Goede diplomatie: bondgenootschappen met lokale heersers (vb. veiligheid –
soldaten, gehoorzaamheid)
Goede oorlogvoering: verharde wegen en legerkampen, fatsoenlijke behandeling
tegenover verslagen volken
Soms kregen zij burgerrecht; gaf aanzien en voorrechten
Rome is een republiek en werd eeuwenlang geleid door magistraten. De senaat in de
republiek nam elk jaar twee leden tot consul aan. Ze konden elkaars beslissingen d.m.v. een
veto dwarsbomen. Alleen elite had toegang tot de senaat, dus Rome was minder
democratisch dan Athene.
Toch waren er wel een paar bestuurssysteem mechanismen ingebouwd: