Schrijfopdracht – Practicum 3 Bestuursrecht jaar 1 – 2022/2023
Instructie
Deze deelopdracht behorende bij Practicum 3 bestaat uit een eenvoudige analyse van een
bestuursrechtelijke uitspraak. Daartoe beantwoord je de volgende vragen puntsgewijs. Lees de vragen
goed door en motiveer je antwoorden zo zorgvuldig mogelijk! Deze opdracht telt voor 25% mee voor
het eindcijfer Practicum 3 en wordt beoordeeld met een cijfer.
Zoek de volgende uitspraak op en formuleer vervolgens antwoorden op de volgende vragen:
ECLI:NL:RBNNE:2022:4957
Vragen:
1. Beschrijf de belangrijkste (rechts)feiten van deze zaak.
2. Wie zijn in deze zaak eiser en verweerder?
3. In de inleiding (onder 1) heeft de rechtbank het over respectievelijk ‘een specifieke
uitkering’ dan wel ‘subsidie’.
(a) Zijn ‘uitkeringen’ en ‘subsidies’ hetzelfde volgens jou? Motiveer.
(b) Benoem de kenmerken van een subsidie. Leg kort uit.
4. Onder 2 beoordeelt de rechtbank ambtshalve of Arriva belanghebbende is. Wat
wordt hiermee bedoeld? Motiveer.
5. Waarom zegt de rechtbank (onder 3) dat zij niet meer aan een inhoudelijke
beoordeling van de beroepsgronden toekomt. Leg in je eigen woorden uit waarom de
rechtbank dit zegt.
6. Waarom is het voor de rechtbank zo belangrijk om vast te stellen of Arriva
belanghebbende is (zie onder 4)? Motiveer.
7. Waarom is volgens de rechtbank sprake van een afgeleid belang? Motiveer.
8. Wat wordt (onder 6) bedoeld met ‘het parallel lopen’ van de belangen? Waarom zou
dit relevant kunnen zijn? Motiveer.
9. Belanghebbenheid en ‘een zelfstandige aanspraak op rechtsbescherming’ worden
door de rechtbank met elkaar in verband gebracht. Leg dit verband in eigen
bewoording duidelijk uit.
10. Leg in eigen woorden uit wat de staatssecretaris volgens de rechtbank (onder 10)
verkeerd heeft gedaan en waarom de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt
van het besluit. Leg uit.
Waarom de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van het besluit. Leg uit.
Instructie
Deze deelopdracht behorende bij Practicum 3 bestaat uit een eenvoudige analyse van een
bestuursrechtelijke uitspraak. Daartoe beantwoord je de volgende vragen puntsgewijs. Lees de vragen
goed door en motiveer je antwoorden zo zorgvuldig mogelijk! Deze opdracht telt voor 25% mee voor
het eindcijfer Practicum 3 en wordt beoordeeld met een cijfer.
Zoek de volgende uitspraak op en formuleer vervolgens antwoorden op de volgende vragen:
ECLI:NL:RBNNE:2022:4957
Vragen:
1. Beschrijf de belangrijkste (rechts)feiten van deze zaak.
2. Wie zijn in deze zaak eiser en verweerder?
3. In de inleiding (onder 1) heeft de rechtbank het over respectievelijk ‘een specifieke
uitkering’ dan wel ‘subsidie’.
(a) Zijn ‘uitkeringen’ en ‘subsidies’ hetzelfde volgens jou? Motiveer.
(b) Benoem de kenmerken van een subsidie. Leg kort uit.
4. Onder 2 beoordeelt de rechtbank ambtshalve of Arriva belanghebbende is. Wat
wordt hiermee bedoeld? Motiveer.
5. Waarom zegt de rechtbank (onder 3) dat zij niet meer aan een inhoudelijke
beoordeling van de beroepsgronden toekomt. Leg in je eigen woorden uit waarom de
rechtbank dit zegt.
6. Waarom is het voor de rechtbank zo belangrijk om vast te stellen of Arriva
belanghebbende is (zie onder 4)? Motiveer.
7. Waarom is volgens de rechtbank sprake van een afgeleid belang? Motiveer.
8. Wat wordt (onder 6) bedoeld met ‘het parallel lopen’ van de belangen? Waarom zou
dit relevant kunnen zijn? Motiveer.
9. Belanghebbenheid en ‘een zelfstandige aanspraak op rechtsbescherming’ worden
door de rechtbank met elkaar in verband gebracht. Leg dit verband in eigen
bewoording duidelijk uit.
10. Leg in eigen woorden uit wat de staatssecretaris volgens de rechtbank (onder 10)
verkeerd heeft gedaan en waarom de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt
van het besluit. Leg uit.
Waarom de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van het besluit. Leg uit.