Proeftoets Periode 1
Je hebt net zoals ik hard gestudeerd voor het meerkeuze tentamen van periode 1, maar je vraagt je
af hoeveel weet ik nu eigenlijk? Dit is een proeftoets (35 vragen) om je kennis te testen, veel succes!
Groetjes, Colin
Onderzoek
Vraag 1
1. Probleemanalyse
2. Data-analyse
3. Relevantie onderzoek
4. Onderzoeksontwerp
5. Ratio-meting
Welke fasen horen bij dat van een praktijkgericht onderzoek?
a. 1,2 en 5
b. 1,2 en 4
c. 2,3 en 4
d. 3,4 en 5
e. Alle bovenstaande antwoorden zijn correct
Vraag 2
‘’met dezelfde meetinstrumenten en dezelfde aanpak krijg je dezelfde resultaten bij herhaling -> uitsluiten van toeval’’
Bij welke kwaliteit van onderzoek past bij deze beschrijving?
a. Constructvaliditeit
b. Interne validiteit
c. Betrouwbaarheid
d. Duurzaamheid
Vraag 3
1. Rendement is hoger dan kosten
2. Informatie belangrijk (beleid, verandering)
3. Behoefte aan informatie
4. Informatie niet (direct) beschikbaar
5. Als onderzoek ethisch verantwoord is
Bij welk van deze gevallen doe je onderzoek?
a. 1,2 en 4
b. 1,2 en 3
c. 2,4 en 5
d. 3,4 en 5
e. Alle bovenstaande antwoorden zijn mogelijk
(ga verder op de volgende pagina)
,Vraag 4
1. Wie heeft het probleem?
2. Waar doet het probleem zich voor?
3. Wat zijn de kosten van het probleem?
4. Wat is de oplossing?
5. Wanneer is het probleem ontstaan?
Welke vragen stel je bij de 6W-formule?
a. 1,2 en 3
b. 1,2 en 5
c. 2,3 en 5
d. 2,4 en 5
e. Alle bovenstaande antwoorden zijn mogelijk
Vraag 5
Welke vorm van literatuur hebben studieboeken?
a. Primaire literatuur
b. Secundaire literatuur
c. Grijze literatuur
d. Documentatie literatuur
Vraag 6
Wat is de definitie van plagiaat?
a. Plagiaat is het bedoeld of onbedoeld presenteren van andermans werk of ideeën als je eigen
werk of ideeën.
b. Plagiaat is het kopiëren van andermans werk om het te gebruiken als bron.
c. Plagiaat is het idee van iemand omvormen tot jouw eigen idee en dit presenteren als jouw
eigen ideeën.
d. Plagiaat is het verkeerd noteren van een uitkomst uit onderzoek in het onderzoeksrapport.
Vraag 7
Welke vorm van onderzoek is Interviewen?
a. Kwantitatief onderzoek
b. Kwalitatief onderzoek
c. Primair onderzoek
d. Secundair onderzoek
(ga verder op de volgende pagina)
, Vraag 8
1. Participerende en niet-participerende observatie
2. Openlijke en verborgen observatie
3. Documentatie observatie
4. Directe en indirecte observatie
5. Ongestructureerde en gestructureerde observatie
Welk van deze antwoorden is geen voorbeeld van een hoofdsoort van observatie
a. 2
b. 4
c. 1
d. 3
e. 5
Vraag 9
‘’Elk element in de populatie heeft een even grote kans om te worden geselecteerd.’’
Welke steekproef is hier beschreven?
a. Aselecte steekproef
b. Selecte steekproef
c. Populaire steekproef
d. Meetbare steekproef
e. Variabele steekproef
Vraag 10
1. Clustersteekproef
2. Conveniënt steekproef
3. Doelgerichte steekproef
4. Getrapte steekproef
5. Sneeuwbal steekproef
Welke steekproeven horen bij een selecte steekproef?
a. 1,2 en 4
b. 1,2 en 5
c. 2,4 en 5
d. 2, 3 en 5
e. 3,4 en 5
Vraag 11
Bij welk van de volgende meetniveaus hoort Goud/Zilver/Brons?
a. Intervalniveau
b. Nominaal meetniveau
c. Ordinaal meetniveau
d. Rationiveau
Je hebt net zoals ik hard gestudeerd voor het meerkeuze tentamen van periode 1, maar je vraagt je
af hoeveel weet ik nu eigenlijk? Dit is een proeftoets (35 vragen) om je kennis te testen, veel succes!
Groetjes, Colin
Onderzoek
Vraag 1
1. Probleemanalyse
2. Data-analyse
3. Relevantie onderzoek
4. Onderzoeksontwerp
5. Ratio-meting
Welke fasen horen bij dat van een praktijkgericht onderzoek?
a. 1,2 en 5
b. 1,2 en 4
c. 2,3 en 4
d. 3,4 en 5
e. Alle bovenstaande antwoorden zijn correct
Vraag 2
‘’met dezelfde meetinstrumenten en dezelfde aanpak krijg je dezelfde resultaten bij herhaling -> uitsluiten van toeval’’
Bij welke kwaliteit van onderzoek past bij deze beschrijving?
a. Constructvaliditeit
b. Interne validiteit
c. Betrouwbaarheid
d. Duurzaamheid
Vraag 3
1. Rendement is hoger dan kosten
2. Informatie belangrijk (beleid, verandering)
3. Behoefte aan informatie
4. Informatie niet (direct) beschikbaar
5. Als onderzoek ethisch verantwoord is
Bij welk van deze gevallen doe je onderzoek?
a. 1,2 en 4
b. 1,2 en 3
c. 2,4 en 5
d. 3,4 en 5
e. Alle bovenstaande antwoorden zijn mogelijk
(ga verder op de volgende pagina)
,Vraag 4
1. Wie heeft het probleem?
2. Waar doet het probleem zich voor?
3. Wat zijn de kosten van het probleem?
4. Wat is de oplossing?
5. Wanneer is het probleem ontstaan?
Welke vragen stel je bij de 6W-formule?
a. 1,2 en 3
b. 1,2 en 5
c. 2,3 en 5
d. 2,4 en 5
e. Alle bovenstaande antwoorden zijn mogelijk
Vraag 5
Welke vorm van literatuur hebben studieboeken?
a. Primaire literatuur
b. Secundaire literatuur
c. Grijze literatuur
d. Documentatie literatuur
Vraag 6
Wat is de definitie van plagiaat?
a. Plagiaat is het bedoeld of onbedoeld presenteren van andermans werk of ideeën als je eigen
werk of ideeën.
b. Plagiaat is het kopiëren van andermans werk om het te gebruiken als bron.
c. Plagiaat is het idee van iemand omvormen tot jouw eigen idee en dit presenteren als jouw
eigen ideeën.
d. Plagiaat is het verkeerd noteren van een uitkomst uit onderzoek in het onderzoeksrapport.
Vraag 7
Welke vorm van onderzoek is Interviewen?
a. Kwantitatief onderzoek
b. Kwalitatief onderzoek
c. Primair onderzoek
d. Secundair onderzoek
(ga verder op de volgende pagina)
, Vraag 8
1. Participerende en niet-participerende observatie
2. Openlijke en verborgen observatie
3. Documentatie observatie
4. Directe en indirecte observatie
5. Ongestructureerde en gestructureerde observatie
Welk van deze antwoorden is geen voorbeeld van een hoofdsoort van observatie
a. 2
b. 4
c. 1
d. 3
e. 5
Vraag 9
‘’Elk element in de populatie heeft een even grote kans om te worden geselecteerd.’’
Welke steekproef is hier beschreven?
a. Aselecte steekproef
b. Selecte steekproef
c. Populaire steekproef
d. Meetbare steekproef
e. Variabele steekproef
Vraag 10
1. Clustersteekproef
2. Conveniënt steekproef
3. Doelgerichte steekproef
4. Getrapte steekproef
5. Sneeuwbal steekproef
Welke steekproeven horen bij een selecte steekproef?
a. 1,2 en 4
b. 1,2 en 5
c. 2,4 en 5
d. 2, 3 en 5
e. 3,4 en 5
Vraag 11
Bij welk van de volgende meetniveaus hoort Goud/Zilver/Brons?
a. Intervalniveau
b. Nominaal meetniveau
c. Ordinaal meetniveau
d. Rationiveau