1. De student definieert de volgende stoornissen en noemt de kernsymptomen ( Bezemer,
Bouwen & Winkelman, 2010; Guitar 2006; Zaalen & Winkelman, 2009):
a. ontwikkelingsstotteren
i. De meest voorkomende vorm van stotteren die zich ontwikkelt in de
kindertijd
ii. Bestaat uit:
1. Grensgeval (borderline) stotteren
2. Beginnend stotteren
3. Overgang beginnen-gevorderd stotteren (intermediate)
4. Gevestigd stotteren
b. neurologisch stotteren
i. het meest voorkomende type van verworven niet-vloeiend spreekgedrag dat
zijn oorsprong vindt in het centraal zenuwstelsel, bijvoorbeeld een CVA
c. psychogeen stotteren
i. het niet-vloeiend spreken ontstaat op latere leeftijd in verband met een
psychisch probleem of een emotioneel trauma
ii. normaal gesproken verworven na kindertijd, oorzaken zijn
1. beroerte
2. hoofd trauma
3. tumor
4. progressieve ziekten als Parkinson
5. drugs vergiftiging
d. broddelen (dysartrisch, dysfatisch, dysritmisch)
i. een stoornis in de vloeiendheid van het spreken waarbij de spreker niet in
staat is zijn tempo aan te passen aan de linguïstische (grammaticale
encodering) of motorische (fonologische encodering) eisen van het moment
ii. kernsymptomen
1. een hoog en/of onregelmatig articulatietempo
2. een hoge frequentie van diverse niet-vloeiendheden die niet op
stotteren lijken
3. een verminderde verstaanbaarheid door een hoger niveau van
coarticulatie en/of door oppervlakkige articulatie
e. combinatie van broddelen en stotteren
i. bij een spreker die zowel broddelt als stottert, lijkt brodderen de primaire
stoornis en daarom zal de behandeling meestal gericht zijn op het
broddelprobleem. Als de therapie vordert, zal de aandacht voor stotteren
groter worden.
ii. Bij kinderen met secundair stottergedrag moet voorrang gegeven worden
aan de stottercomponent ten einde stotterangst te voorkomen
iii. Broddelen en stotteren allebei:
1. Spreekangst
2. Woordangst voor struikelen over woorden of voor blokkades
3. Onderprestaties in de maatschappij
4. Problemen met sociale contacten
iv. Verschillen broddelen en stotteren:
1. Broddelen heeft een hoog of sterk variabel articulatietempo
2. Broddelaars hebben een zwakke spraakmotorische coördinatie
3. Broddelaars hebben een hoge ratio niet-vloeiendheden